Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1346. Als de tegen vordering, op grond waarvan compensatie wordt beweerd, als te hoog is betwist, bestaat er ook geen voor dadelijke vereffening en opeisching vatbare schuld; derhalve kan geen compensatie worden aangenomen. Nader bewijs dier tegen vordering kan niet worden toegelaten, omdat dit niet tot de dadelijke schuldvergelijking kan leiden. — Hof Amsterdam 20 Mei 1898; W. 7175.

1347. Eene vordering, waaromtrent nog eene bewijslevering moet plaats hebben, kan niet gezegd worden voor dadelijke vereffening vatbaar te zijn en kan dus ook niet in compensatie worden gebracht. — Rechtb. Rotterdam 19 Juni 1901; P. v. J. 1902, 150; Mb. Dw. XIX, 21. Idem Hof Amsterdam 21 Juni 1900; W. 7499. Kan tong. aldaar no. 3 van 5 Maart 1900; N. M. v. H. XIII, 57.

1348. Waar eene tegen vordering gemotiveerd en omstandig is bestreden, en ten bewijze dier pretense vordering nog zelfs in appèl getuigenbewijs wordt aangeboden en zoude noodig zijn, is terecht beslist, dat -die vordering in den zin der wet niet liquide is te achten en compensatie mitsdien is uitgesloten. — H. R. 19 April 1901, concl. conf.; W. 7592; W. v. N. R. 1660; P. v. J. 1901, 52; v. d. H., B. R. LXVII, 239; N. R. CLXXXVII, 661.

1349. Een tegen vordering, die wordt ontkend en welker bestaan slechts na eene omslachtige bewijsvoering kan komen vast te staan, kan niet in compensatie worden gebracht. — Rechtb. Tiel 20 September 1907; W. 8782. Dezelfde Rechtb. 20 December 1907; W. 8835.

1350. Het wettelijk vereischte van dadelijk vereffenbaarheid is niet in dien

strengen zin op te vatten, dat de te vergelijken schuld rechtens moet vaststaan op het oogenblik, dat op vergelijking beroep wordt gedaan; ook zoodanige schuld kan als dadelijk vereffenbaar worden aangemerkt, waarvan bestaan en bedrag spoedig in rechten kunnen worden aangetoond. Aan dit wettelijk vereischte voldoet ondertusschen niet eene tegenvordering, die in al hare onderdeelen betwist wordt en daarenboven eene langdurige, ingewikkelde bewijsvoering vordert tot vaststelling van haar bestaan. — Hof Amsterdam 23 October 1908; W. 8815; P. v. J. 828. Cassatie verworpen bij het volgende arrest.

1351. Eene tegenvordering, welke, in al hare onderdeelen betwist, tot vaststelling van haar bestaan, eene langdurige en geenszins eenvoudige bewijsvoering eischt, kan niet geacht worden vatbaar te zijn voor eene dadelijke vereffening, zelfs niet bij eene ruime opvatting van dit begrip. — H. R. 12 November 1909, concl. conf.; W. 8927.

Art. 1464.

1352. Eene tijdsbepaling ten gunste des schuldenaars gemaakt, sluit zijnerzijds een beroep op schuldvergelijking niet uit. — Rechtb. Leeuwarden 17 Januari 1895; P. v. J. 1895, 25.

Art. 1465, 2°.

1353. De uitsluiting van schuldvergelijking, wanneer in bruikleen gegeven goederen worden teruggevorderd, is ook dan toepasselijk, als in stede van die goederen de waarde moet worden teruggegeven. — Hof Amsterdam 14 December 1894; W. 6650.

Sluiten