Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1362. Kwijtschelding moet, om geldig te zijn, door den schuldenaar zijn aangenomen. — Rechtb. 's-Gravenhage 8 Juni 1883. Bevest. door Hof aldaar 31 Maart 1884; W. 5156.

1363. De bekentenis, dat men zeker bedrag schuldig is geweest, maar die schuld door kwijtschelding te niet werd gedaan, is onsplitsbaar, in weerwil van het bepaalde bij art. 1474 B. W. — Kantong. Groningen 10 Januari 1881; W. 4713.

1364. De bepaling van dit artikel, dat kwijtschelding niet wordt verondersteld, maar moet worden bewezen, behoort niet te worden opgevat in dien zin, dat de bekentenis van den gedaagde, dat hij de gevorderde som schuldig is, mag worden gesplitst met de daaraan toegevoegde clausule, dat de schuldeischer hem de schuld heeft kwijtgescholden — Rechtb. Amsterdam 30 Juni 1893; P. v. J. 1893, 91.

1365. Kwijtschelding, al heeft zij ten gevolge, dat de verbintenis tot betaling te niet gaat, is niet de praestatie van het verschuldigde, die bij dit artikel als betaling in de eerste plaats onder de wijzen van te niet gaan der verbintenissen wordt aangeduid, daar zij integendeel bestaat in de ontheffing van de verplichting om te praesteeren door den schuldeischer aan den schuldenaar aangeboden en door dezen werkelijk of krachtens wettelijke onderstelling aanvaard ; ook overigens verschilt zij in wezen niet van de schenking, als zij geschiedt animo donandi. Alzoo kan ook door kwijtschelding van schuld werkelijk worden geschonken, al wordt voor de geldigheid van zoodanige schenking eene notariëele akte niet vereischt. — H. R. 6 Januari 1899, concl. conf.; W. 7225; P. v. J. 1899, 7; W. v. N. R. 1524;

v. d. H , B. R. LXV, 1; N. R. CLXXXI, 42. (Zie arr. H. R. 10 Januari 1902, aant. nr. 1846 en verder nrs. 1845 en 1847. Deel II.)

1366. Bij eene kwijtschelding van schuld, die animo donandi plaats had en dan ook in wezen niet verschilt van eene schenking, zijn toch in geen geval de formeele vereischten voor schenking toepasselijk. — Rechtb. Breda 31 Maart 1903; W. 7978; W. v. N. R. 1777.

1367. De overeenkomst waarbij wordt bepaald dat eene vroeger tegen interest geleende geldsom, bij den dood des uitleeners aan den leener zal zijn kwijtgescholden, houdt in noch eene testamentaire beschikking, noch eene schenking, verboden bij al. 2 van art. 1703. Zoodanige overeenkomst houdt in eene kwijtschelding van schuld, die aan geenerlei vorm is gebonden. — Hof 's-Hertogenbosch 22 December 1903; W. 8014; Not. W. 238.

1368. Kwijtschelding om niet is in het wezen der zaak eene schenking waarop de grondregelen omtrent schenking, waartoe behooren de voorschriften omtrent de al- of niet-herroepelijkheid, toepasselijk zijn. — Rechtb Alkmaar 1 Maart 1906; Mb. Dw. XXII, 52.

1369. Wanneer iemand, die beweert sedert jaren aanspraak te hebben op eene jaarlijksche uitkeering, het doen dier uitkeering in de toekomst „dankbaar" aanvaardt, dan mag daaruit niet worden afgeleid, dat hij zijne vordering voor het verledene kwijtscheldt. — Rechtb. 's-Gravenhage 9 Januari 1906; W. 8327.

1370. Kwijtschelding van schuld onder den last, dat de schuldenaar zich jegens een derde voor een gelijk bedrag als schuldenaar zal verbinden, is volkomen rechtsgeldig; zij heft iederen

Sluiten