Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat te leveren, volgt niet dat de huurder ontbinding der overeenkomst zou kunnen vorderen, indien bij bet betrekken van het gehuurde, daarin nog eenige herstellingen moeten worden verricht. — Rechtb. Amsterdam 10 September 1885; W. 5318; P. v. J. 1885, 47; R. W. v. N. 567.

1977. Indien de actie steunt op levering van het gehuurde in niet goeden staat, is de huurder niet-ontvankelijk in zijne vordering tot schadevergoeding, als hij de actie heeft ingesteld, na reeds een tijdlang zonder protest het gehuurde te hebben aanvaard en het huis betrokken. De levering heeft dan zonder protest plaats gehad en zou er aanleiding kunnen bestaan tot het instellen der actie van het tweede lid van dit artikel voor reparatiën, noodzakelijk geworden gedurende den huurlijd. ■— Rechtb. Amsterdam 17 November 1887; W. 5533; R. W. v. N. 616.

1978. Schadevergoeding op grond van het niet-nakomen door den verhuurder van het voorschrift van dit artikel, kan slechts toegewezen worden, als blijkt dat de huurder na in gebreke gesteld te zijn, nalatig blijft de reparatiën te doen. Slechts als gesteld wordt, dat de verhuurder in verzuim is, kan de eisch worden toegewezen. Dit klemt te meer, als gesteld wordt, dat zulks in het begin van den huurtijd was en de verhuurder dus nog tijd had de herstellingen te doen uitvoeren en dus niet gezegd kan worden vanzelf reeds in mora te zijn. — Rechtb. Amsterdam 11 April 1892; W. 6206.

1979. De verplichting tot levering van het verhuurde in goeden staat, houdt in eene verbintenis om te geven, niet eene om te doen; de huurder is alzoo niet ontvankelijk in een eisch om

gemachtigd te worden tot tenuitvoerlegging van de verbintenis. — Rechtb. Leeuwarden 29 Juni 1893; W. 6420; W. v. N. R. 1262.

1980. Waar de huurder vordert zeer omvangrijke herstellingen aan het verhuurde, kan het zenden van een enkelen werkman om die herstellingen uit te voeren, niet worden beschouwd als eene ernstige poging om tot die herstellingen over te gaan. Mitsdien kan de verhuurder niet de niet-ontvankelijkheid der vordering tot ontbinding der huurovereenkomst op grond van het niet uitvoeren der herstellingen beweren, op grond dat de huurder die uitvoering zelf zou hebben verhinderd door den voorbedoelden werkman niet toe te laten. — Rechtb. Amsterdam 7 September 1904; P. v. J. 1905, 432.

1981. Art. 1587 al. 1 B. W. kan niet bedoelen den huurder het recht te geven om op grond van elk gebrek in den goeden staat van onderhoud bij de levering van het gehuurde ontbinding der huurovereenkomst te vragen, doch dat gebrek moet van dien aard en omvang zijn, dat daardoor het verhuurde ongeschikt is voor de bestemming, waartoe het is verhuurd. — Hof 's-Gravenhage 13 Mei 1907; P. v. J. 1907, 692.

1982. Een huurder, die het gehuurde aanvaardt, de gebreken, die eraan kleven, kennende, kan later geen ontbinding der huurovereenkomst vorderen op grond, dat het gehuurde hem niet „in goeden staat van onderhoud", zou zijn geleverd. Wel zal hij loopende de huur herstel der gebreken kunnen vorderen, maar ter zake van het niet aanbrengen van dat herstel zal hij slechts ontbinding kunnen vorderen na den verhuurder te dier zake in gebreke gesteld te hebben. — Hof 's-Gravenhage 18 October 1909; W. 8949.

Sluiten