Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bestrijding daarvan in W. 5726 door de Redactie.

Antwoord van mr. Levy in W. 5729.

Mr. X. Idem. — W. 5731.

2038. Wordt door het opnemen van het verbod van onderverhuring in de huurovereenkomst eener bouwhoeve de toepasselijkheid van art. 1595 B. W. buitengesloten, en wordt dat verbod daardoor een beding als in art. 1625 genoemd? — Neen. — R. A. XI, 98.

2039. Door opneming van het verbod van onderhuur in het huurcontract gaat niet verloren het in art 1595B. W. aan den verhuurder toegekende recht om op het eenvoudige feit van de onderhuur zelve, geheel afgescheiden van de vraag of die onderhuur nadeel heeft veroorzaakt, de vordering tot ontbinding der huur te gronden. Dit is alleen het geval, als partijen met de opneming van het verbod van onderhuur in het huurcontract de bedoeling hebben gehad om daardoor uit te drukken, dat de verhuurder afziet van het hem door art. 1595 B.W. gegeven recht. — Rechtb. Dordrecht 23 November 1910; W. 9136.

2010. De bepaling eener huurovereenkomst, dat de huurder het gehuurde zonder toestemming van den verhuurder noch geheel, noch gedeeltelijk aan een derde in huur zal mogen afstaan, verbiedt niet, dat de huurder een gedeelte van het gehuurde aan een student weder verhuurt. Uit dit artikel blijkt, dat de wetgever een onderscheid maakt tusschen het in huur afstaan en het weder verhuren van het gehuurde. Het in huur afstaan is een cessie van recht, waarbij de huurder zijn recht in zijn geheelen omvang en zooals hij het bezit overdraagt aan een ander, aan wien de verhuurder wordt verbonden, terwijl weder verhuren is, het door den huurder onder zijne

verantwoordelijkheid aan anderen geheel of gedeeltelijk verschaffen van het genot der gehuurde zaak. — Rechtb. 's-Gravenhage 29 Maart 1898; W. 7156; P. v. J. 1899, 45; Mb Dw. XV, 4; T. v. N. XVII, 133. (Vernietigd bij het volgende arrest.)

2041. De bepaling in een huurcontract „de huurder zal het gehuurde noch geheel, noch gedeeltelijk aan een derde mogen afstaan zonder schriftelijke toestemming van den verhuurder", moet in dien zin worden opgevat, dat men daarbij dit artikel op het oog had en dus heeft willen verbieden hetgeen, zonder zoodanig verbod, den huurder zou zijn toegestaan, d. i. een gedeelte van de gehuurde woning aan een ander te verhuren. — Hof 's Gravenhage 10 Maart 1899; VV. 7263; Mb. Dw. XV, 4.

2042. Indien in het pachtcontract met ontbinding is gedreigd, als de pachter, zonder schriftelijke vergunning geheel of gedeeltelijk onderverhuurt, moet de ontbinding worden uitgesproken, al is geen schade aangetoond en al had de onderverhuring van den beginne plaats gehad. Alleen kan van den verhuurder de eed worden gevorderd, dat hij zijne toestemming niet heeft gegeven. — Rechtb. Arnhem 20 Mei 1888; W. 5747.

2043. Onderverhuring in strijd met de overeenkomst maakt den verhuurder ontvankelijk en gegrond in zijne vordering tot ontbinding der huurovereenkomst met schadevergoeding. — Rechtb. Amsterdam 23 December 1889; P. v. J. 1890, 40.

2044. Voor de toepassing van dit artikel is schade geen vereischte. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 13 Maart 1891; W. 6240.

2045. Ingeval van een ongeoorloofde

Sluiten