Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzegging en het einde der huur moet verloopen. — H. R. 27 Maart 188-5; W. 5157; R. W. v. N. 541 en 9 October 1885; W. 5212; R. W.v. N. 546. Rechtb. Maastricht 4 Juni 1886; W. 5333.

2157. Het plaatselijk gebruik beheerscht alleen den termijn van opzegging, niet den termijn waarvoor gehuurd wordt. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 25 September 1896; \V. v N. R 1404.

2158. Het ligt in den aard der zaak, dat de termijn van opzegging der huur bedoeld in dit artikel korter is dan de tijd, waarvoor de huur werd aangegaan. — Kantong. Enschedé 23 Januari 1902 ; W. 7916.

2159. Bij stilzwijgend voortgezette huur is het op zich zelf niet voldoende, dat de huurder in het genot is gebleven en gelaten; dit moet ook in de bedoeling der beide partijen hebben gelegen De vraag of die bedoeling mag worden afgeleid uit den tijd gedurende welken de huurder na het eindigen der huur in het bezit gebleven is, moet door den rechter worden beslist naar de omstandigheden van elk geval. — Kantong. Amsterdam I 1884; P. v. J. 1884, 44, Bijbl.

2160. Een verzoek van den huurder om — ongeacht eene opzegging der huur — het gehuurde pand te mogen blijven bewonen, behelst de erkenning van de opzegbaarheid der huur. — Rechtb. Leeuwarden 13 October 1892; W. 6322.

2161. De bepalingen van de 2e afdeeling van den Titel van huur en verhuur zijn, zoover dit niet tegen den aard der overeenkomst strijdt, ook van toepassing op huur en verhuur van andere zaken als

landerijen en huizen; mitsdien wordt de huur van een diamantslijpersmolen, al is zij mondeling aangegaan, krachtens art. 1607 bij gebreke van opzegging stilzwijgend voortgezet. — Rechtb. Amsterdam 25 Mei 1896; P. v. J. 1896,74.

2162. Daar de wet niets bepaalt omtrent de regelen van huur en verhuur van vischwater, moeten daarop toepasselijk worden geacht de regelen om. trent huur en verhuur, gemeen tusschen verhuringen van huizen en landen, in het bijzonder voor wat aangaat de continuatie der huur geregeld in dit artikel. — Rechtb. Amsterdam 16 Januari 1903; W. 7937; Not. W. 204.

2163. Bij de opzegging der huur van de tot eene landhoeve behoorende gebouwen is dezelfde termijn in acht te nemen als voor de opzegging van de huur der landerijen. Waar het land bestaat uit grasland en bouwland is de opzegging van een mondelinge huur op een termijn van een jaar onvoldoende, zoo dit bouwland niet als van zeer ondergeschikten aard is te beschouwen en niet vaststaat, dat dit bouwland niet bij afwisselende zaaibeurten wordt bebouwd. — Hof Amsterdam 6 November 1903; W. 8046.

2164. Voor de opzegging van huur wordt geen bepaalde vorm vereischt. — Rechtb. Arnhem 10 December 1877; W. 4198.

2165. Indien een huur zonder geschrift is aangegaan, moet de verhuurder bewijzen, of wel, dat eene opzegging met inachtneming van den bij plaatselijk gebruik aangenomen termijn is gedaan, of wel dat omtrent dit punt ter plaatse geen gebruik bestaat. — Rechtb. Utrecht 6 April 1898; W. 7106; Mb. Dw. XIV, 2.

45

Sluiten