Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het loon af te houden, wanneer de arbeider in zijn dienst, arbeid ver-

richt. — Kantong. Winschoten ïyuy; R, B. A. I, 9.

Art. 1638a.

2361. Daar de verjaardag der Koningin niet is te beschouwen als een Zondag moet een werknemer, die op dien dag niet laat werken, toch aan zijn arbeiders het loon over dien dag uitbetalen. — Kantong. Amsterdam IV 9 November 1907; W. 8997; R. B. A. I, 20.

Art. 16386.

2362. Het niet-nakomen door den arbeider van eenige bijkomende verplichtingen zijner overeenkomst kan niet worden gequalificeerd als het niet verrichten van arbeid in den zin van art. 16386 B. W. — Kantong. Amsterdam IV 4 Mei 1909; R. B. A I, 5.

Art. 1638c.

2363. Waar duidelijk blijkt, dat de werkgever prijs stelt op het in dienst

blijven van eenen werkman, die bij hem een betrekkelijk laag loon geniet, moet de rechter den tijd, gedurende welken een zieke arbeider aanspraak op loon behoudt, stellen op 4 weken. — Kantong. Amsterdam II 29 Juli 1909; R. B. A II, 18/19.

2364. Bij de vaststelling van den betrekkelijk korten tijd, gedurende welken de arbeider krachtens art. 1638c B. \V. ingeval van ongeval of ziekte recht op loon behoudt, moet rekening worden gehouden met het feit, dat de arbeider slechts één dag in dienst was, toen het ongeval hem trof. — Kantong. Heerlen 15 October 1909; R. B. A. I, 17.

2365. Drie weken is geen betrekkelijk korte termijn als bedoeld in art. 1638c

\y. — Kantong. Amsterdam II 23 Juni 1910; R. B. A. II, 12.

2366. De omstandigheid, dat een _ arbeider aan zijn patroon niet behoorlijk van zijne ziekte heeft kennis gegeven doet zijne aanspraak op loon gedurende den tijd der ziekte niet vervallen — Kantong. Haarlem 1 Juli 1910; R. B. A. II, 15.

2367. De betrekkelijk korte tijd, bedoeld in art. 1638c B. W. moet, waar het geldt een vasten arbeider, die voor een jaar is aangesteld, worden bepaald

op eene maand. — Kantong. Berlicum 17 September 1910; R. B. A. II, 20.^

2368. Wanneer een werknemer de laatste week, welke hij bij een werkgever in dienst zou zijn ziek wordt dan moet de „betrekkelijk korten tijd", gedurende welken bij krachtens art. 1638c B. W_ aanspraak op loon heeft, gesteld worden op eene halve week. — Kan tong. Groningen 8 Maart 1909; W. 8810.

Art. 1638d.

2369. Het feit dat een werkgever op zeker oogenblik voor zijn arbeider geen werk heeft, is te beschouwen als een den werkgever persoonlijk betreffende toevallige verhindering om van diens diensten gebruik te maken en ontheft hem dus niet van zijne verplichting om (behoudens overmacht) den arbeider diens loon uit te betalen.

Het beweren, dat het gebruik medebrengt, dat de werkgever in dit geval geen loon behoeft te betalen, moet worden verworpen, omdat zoodanig gebruik in strijd zou zijn met art. 1638d g _ Kantong. Amsterdam I

18 Maart 1910; w'. 9108; R. B. A. II, 11.

Sluiten