Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2388. Het verzwijgen van kwalen is niet gelijk te stellen met het opzettelijk geven van valsche inlichtingen als bedoeld in art. 1638?/ B. W.—Kantong. Amsterdam 111 12 Augustus 1909; R. B. A. I, 20.

2389. Het niet mededeelen van eene ziekte door den arbeider aan den werkgever ontslaat dezen niet van zijne verplichtingen ex art. 16381/ B W. — Kantong. Heerlen 14 September 1909; R. B. A. I, 14.

2390. „Opzettelijk valsche inlichtingen" over den gezondheidstoestand geeft een dienstbode alleen dan, wanneer haar bij het huren uitdrukkelijk naar dien toestand is gevraagd en zij toen tegen beter weten in, onjuiste inlichtingen heeft gegeven. — Kantong. 's-Gravenhage 18 December 1909; R. B. A. 1,19.

Art. 1638aa.

2391. Een werkgever is na het eindigen der dienstbetrekking verplicht onvoorwaardelijk en terstond op het verzoek van den arbeider een getuigschrift af te geven, wacht hij daarmede drie dagen, dan is hij tot schadevergoeding verplicht. — Kantong. Amsterdam II 14 Februari 1910; R. B. A. II, 1.

2392. De verplichting des werkgevers om den arbeider een getuigschrift te geven is absoluut; hij is daartoe verplicht al meent hij dat de arbeider er niets aan zal hebben en dat hij er in zal moeten vermelden, dat de arbeider de dienstbetrekking onrechtmatig heeft verbroken. De weigering van afgifte van een getuigschrift brengt voor den arbeider per se schade mede. — Kantong. Dordrecht 12 Mei 1910; R. B. A. II, 13.

2393. Wanneer een werkgever aanvankelijk heeft geweigerd een getuigschrift af te geven, maar op de terechtzitting

het gevraagde getuigschrift aanbiedt, dan ontheft hem dit niet van zijne aansprakelijkheid voor de door zijne aanvankelijke weigering reeds geleden schade. — Kantong. Amsterdam III 8 April 1909; R. B A. II, 6.

2394. Over het tijdsverloop, waarover een arbeider schadevergoeding wordt toegekend wegens onrechtmatige verbreking der arbeidsovereenkomst kan geen schadevergoeding worden toegekend wegens weigering van een getuigschrift. — Kantong. Amsterdam II

12 September 1910; R. B. A. II, 14.

2395. Bij weigering van een getuigschrift kan alleen schadevergoeding ter zake van de weigering, niet het getuigschrift zelf, in rechten worden gevorderd. Voor de toewijzing dier vordering is noodig, dat van schade blijke en kan niet worden volstaan met het bewijs der mogelijkheid daarvan. — Kan tong. Amsterdam III 22 April 1909; R. B. A. I, 6.

— Kantong. Arnhem 22 Juni 1909; R. B. A. I, 10.

2393. De afgifte van een getuigschrift kan niet in rechten worden gevorderd.

— Kan tong. Apeldoorn 18 Augustus 1909; R. B. A. I, 16, 23.

2397. De werkgever, die weigert het gevraagde getuigschrift af te geven, is jegens den arbeider aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade, doch de afgifte van het getuigschrift zelve kan niet in rechten gevorderd worden.

— Kantong. Heerlen 18 Februari 1910; R. B. A. II, 9.

2398. Een jaar na het eindigen der dienstbetrekking heeft de arbeider geen recht meer, om nog een getuigschrift te vorderen. — Kantong. Amsterdam II

13 October 1910; R. B. A. II, 15.

Sluiten