Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2680. Het bestaan eener zoo slechte verhouding tusschen twee vennooten onder eene firma, dat de belangen der zaak daardoor in die mate worden geschaad, dat ondergang het einde moet zijn, is eene wettige reden tot ontbinding, — Rechtb. Amsterdam 14 December 1900; W. 7609.

2681. Eenmaal vaststaande, dat twee vennooten over en weer zulke ernstige grieven tegen elkander hebben ten opzichte van hetgeen ieders vennootschappelijke plicht medebrengt, dat zij eenstemmig meenen, dat van verdere samenwerking tot behartiging van de gemeenschappelijke vennootschappelijke belangen geen sprake meer kan zijn, behoort de rechter zonder het bewijs der aangevoerde grieven te vorderen, de ontbinding der vennootschap uit te spreken. — Rechtb. Amsterdam 21 Juni 1908; W. 8716; W. v. Not. 159.

Art. 1686.

2682. De wet kent niet de vernietiging van de overeenkomst van vennootschap; mocht in een bijzonder geval moeten worden aangenomen, dat aan vernietiging en ontbinding dezelfde beteekenis moet worden gehecht, dan is wel waar, dat de wet in sommige gevallen den vennooten het recht geeft om de ontbinding der vennootschap te vorderen, maar daarom kent zij hun nog niet het recht toe tot ontbinding der vennootschap ten aanzien van een der vennooten met instandhouding tegenover andere vennooten. — Rechtb Amsterdam 3 Juli 1894; W. 6597; N. M. v. H., VII, 166.

Art. 1688.

2683. Een beding in een overeenkomst volgens hetwelk in geval van overlijden van een der vennooten, diens

aandeel moet blijven in de vennootschap, welke door de overblijvende vennooten zal worden voortgezet, heeft uitsluitend beteekenis van overdracht van de vennooten, wederkeerig, ingeval van overlijden en dus van een overdracht, afhankelijk van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, of van een opschortende voorwaarde. — H. R. 11 Juni 1880, concl. conf.; W. 4521; N. R. CXXV, § 18.

2684. Uit de woorden in een akte van burgerlijke vennootschap „bij tusschen tij ds overlijden van een der comparanten gaan de rechten en verplichtingen uit deze overeenkomst geboren, ingevolge de wet op zijne of hunne erfgenamen over", moet in verband met het onderwerp der vennootschap worden aangenomen, dat partijen bij het overlijden van een der vennooten niet bedoeld hebben eene ontbinding, maar eene voortzetting der vennootschap met de erfgenamen der overledenen. — Rechtb. Middelburg 21 December 1887; W. 5609; R. W. v. N. 632; P. v. J. 1888, 136.

Art. 1689.

2685. De deelgenoot eener maatschap is niet ontvankelijk in zijn verzoek tot bevel van verkoop van eenig tot de maatschap behoorend vast goed, zoolang deze niet ontbonden is. — Rechtb. Alkmaar 10 Mei 1893; W. 6354; W. v. N. R. 1223; R. W. v. N. 774.

2686. Een vordering tot scheiding en deeling eener vennootschap vóór dat hare liquidatie is afgeloopen, is praematuur. — Rechtb. Amsterdam 30 November 1894; W. 6805; P. v. J. 1896, 40; W. v. N. R. 1377; T. v. N. XIV, 101.

2687. De vordering tot scheiding en deeling eener wel ontbonden, doch niet vereffende vennootschap onder firma is

Sluiten