Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1900, concl. conf.; W. 7472; P. v. J. 1900, 56; Not. W. 50; Mb. Dw. XVI, 8; N. R. CXXXV, 238; v. d. H., B. R. LXVI, 342.

2914. Voor de totstandkoming der overeenkomst van verbruikleen is een vereischte, dat de uitleener aan den leener eene zekere hoeveelheid van verbruikbare zaken afgeeft, onder voorwaarde, dat de leener aan den uitleener even zoovele van gelijke soort en hoedanigheid teruggeve. Er kan dus geen sprake zijn van het tot stand komen van dergelijke overeenkomst, wanneer twee personen elkander chèques van hetzelfde bedrag ter hand stellen; blijft dat stuk onbetaald, dan zal degene, aan wien dat stuk was ter hand gesteld, geene vordering uit verbruikleen kunnen instellen; hij zal moeten optreden als houder van de hem ter hand gestelde chèque. — Rechtb. Middelburg 13 Mei 1903; W. 7963.

2915. Wanneer iemand effecten aan een ander leent ter versterking van diens onderpand bij een bankier, terwijl hij weet, dat de laatste niet de verplichting op zich neemt om dezelfde nummers der effecten, die hem als onderpand zijn verstrekt, terug te geven, dan sluit hij niet de overeenkomst van bruikleen maar van verbruikleen en draagt dus den eigendom der bedoelde effecten aan den leener over. — Rechtb. Almelo 4 November 1908; W. 8823. (Zie nos. 2879 en 2880.)

2916. Hoezeer pandbrieven geen geld zijn en eene leening van pandbrieven geene geldleening, zoo verliest eene bij notarieele akte aangegane geldleening toch niet het karakter hiervan door het bij onderhandsche akte denzelfden dag gemaakte beding, dat de leener het verschuldigde zal kunnen betalen in

pandbrieven. — Rechtb. Alkmaar 15 November 1908; W. 8880; W. v. Not. 199.

2917. Wanneer eene schuldbekentenis inhoudt, dat een som gelds is ontvangen, dat daarvoor rente betaald zal worden en dat de schuld „met drie maanden opzegging" opeischbaar zal zijn, — dan is voldoende uitgedrukt, dat die schuld „leen" tot oorzaak heeft, vooral als van geene andere schuldoorzaak gerept wordt. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 20 November 1908; W. 8843.

2918. Wanneer vaststaat, dat een speler een zeker aantal jetons leende onder voorwaarde van later een zelfde aantal jetons of geld te zullen teruggeven, dan moet ook worden aangenomen, dat bij het verstrekken en ontvangen der jetons de bedoeling der partijen was: dat ter leen werd verstrekt en ontvangen eene geldsom, overeenstemmende met de tusschen partijen vaststaande waarde der jetons, welke geldsom werd uitgekeerd in jetons. De rechtshandeling van partijen is als geldleening te qualificeeren, waartegen niets afdoet het niet algemeen en overal inwisselbaar zijn der jetons, daar partijen het bij hare overeenkomst volkomen in hare macht hadden, om tusschen hen beiden, bij uitbetaling en terugbetaling, ook jetons met geld gelijk te stellen, dat is als betaalmiddel te bezigen. — Hof 's-Gravenliage 10 Januari 1910; W. 8949; P. v. J. 1910, 911.

Art. 1793.

2919. P. J. C. Tetrode. De inhoud der geldvordering. — Ac Pr. Amsterdam 1888.

2920. Het enkele feit, dat voor iemands rekening gelden aan een derde zijn uitbetaald, bewijst niet, dat die gelden

Sluiten