Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Rechtb. Utrecht 11 December 1901; W. 7770; Not. W. 149 ; Mb. Dw XVIII, 8, 12.

3197. Iemand, die borg bleef voor de richtige betaling der huur, kan niet worden aangesproken tot betaling der schadevergoeding waartoe de huurder bij ontbinding der huur wegens wanbetaling der huurpenningen werd veroordeeld. — Rechtb. 's-Gravenhage 25 November 1902; W. 8127.

3198. De bepalingen, waaronder borgtocht wordt aangegaan, zijn én krachtens het karakter van dat rechtsinstituut én blijkens de bepalingen der wet, strictae interpretationis en de verplichtingen van den borg mogen alzoo niet verder worden uitgebreid dan uitdrukkelijk in de gezegde bepalingen is gestipuleerd. Deze regel door de wet zelve in art. 1861 B. W. voorgeschreven, bindt den rechter, ook al heeft de borg zich hoofdelijk en onder afstand van alle voorrechten bij de wet aan borgen toegekend, verbonden, vermits immers die hoofdelijkheid en die afstand van voorrechten wel medebrengen, dat de borg zich op eene andere wijze verbindt dan zonder zoodanige bedingen, niet, dat hij zich tot iets anders verplicht dan m den borgtocht staat omschreven. Mitsdien kan iemand, die zich hoofdelijk en onder afstand van voorrechten borg stelde voor de trouwe naleving eener huurovereenkomst en „de juiste betaling van den 'huurprijs", niet geacht worden borg te zijn gebleven voor de richtige voldoening van kosten, schaden en interessen door den huurder verschuldigd na ontbinding der huurovereenkomst op grond van des huurders wanpraestatie — Rechtb. Amsterdam 8 November 1905; W. 8422.

3199. Ingeval eene schriftelijke bereidverklaring om voor iemand borg te

blijven, wordt teruggenomen, vóór dat zij door den schuldeischer was aangenomen, is geene overeenkomst van borgtocht tot stand gekomen. — Hof Arnhem 21 April 1909; W. 8887; W. v. N. R. 2081.

3200. Een borgtocht, aangegaan ter zake van wat verschuldigd zou worden ter oorzake van „Geschiiftsverbindung" kan niet worden uitgebreid tot wat verschuldigd is ter oorzake van geldleening. — Hof Amsterdam 14 December 1906; M. v. H. XVIII, 234.

Art. 1862.

3201. Kan ingeval van ten uitvoerlegging van een vonnis bij voorraad, doch onder borgtocht, de executant volstaan met borgtocht aan te bieden ten bedrage van de som, in de condemnatie vermeld met de wettelijke renten, dan wel moet deze borgtocht zich uitstrekken tot alle nadeelen, door de executie te veroorzaken? In laatstgemelden zin beslist. — R. A. XI, 118.

3202. De onbepaalde borgtocht omvat alle gevolgen der hoofdverbintenis en strekt zich in de eerste plaats uit tot de verschuldigde interesten. — Rechtb. Arnhem 2 April 1891; W. 6072; R. W. v. N. 721*

3203. De borgstelling voor een bepaald bedrag der door den schuldenaar ter leen opgenomen gelden, is een onbepaalde borgtocht, die zich daardoor ook uitstrekt tot de verschuldigde interesten. — Hof 's-Gravenhage 25 April 1892. Anders Rechtb. 's-Gravenhage 1 December 1891; R. W. v. N. 742.

3204 Zij, die zich zonder eenige beperking verbonden hebben tot het voldoen der verbintenis van den hoofdschulde-

Sluiten