Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3222. De schuldeischer kan tegenover den borg het bestaan der schuld van den schuldenaar door openlegging zijner koopmansboeken bewijzen. — Rechtb. Amsterdam 25 November 1886; P. v. J. 1887, 3, Bijbl.

3223 Tegenover de ontkentenis van den borg, moet de schuldeischer bewijzen, dat hij het gevraagd bedrag van den schuldenaar te vorderen heeft. — Rechtb. Amsterdam 27 April 1887; W. 5483.

3224. Het bewijs der schuld tegenover den hoofdschuldenaar geldt ook tegenover den borg. — Hof 's-Gravenhage 7 Maart 1904; W. 8117.

3225. Uit den aard van borgtocht moet worden afgeleid, dat voor het vaststaan een er vordering tegenover den borg geen meerder bewijs wordt gevorderd dan tegenover den schuldenaar. — Rechtb. Amsterdam 10 November 1905; W. 8426. Dezelfde Rechtb. 18 Januari 1907; W. 8667; W. v. Not. 143.

3226. Nu de schuldeischer tegenover den borg tot geen ander bewijs is gehouden dan tegenover den hoofdschuldenaar, wordt, behoudens tegenbewijs, de schuld tegenover den borg ook vastgesteld door eene rechterlijke beslissing dienaangaande tusschen schuldeischer en schuldenaar gewezen. — Hof 's-Gravenhage 7 Januari 1907; W. 8485; P. v. J. 1907, 652; W. v. Not, 79.

3227. Een door den hoofdschuldenaar ter goedkeuring geteekend saldobiljet bewijst ook tegenover den borg het bedrag van het saldo. — Rechtb. Zutfen 3 Maart 1909; W. 8979,

3228. De schuldeischer, die den borg tot betaling aanspreekt, is niet verplicht den hoofdschuldenaar mede in het ge¬

ding te roepen. — Rechtb. Winschoten 13 Juli 1887; W. 5593.

•3229. De gerechtelijke aanmaning van een borg kan plaats hebben bij de dagvaarding; nergens is voorgeschreven, dat daartoe eene afzonderlijke akte noodig is. — Rechtb. Amsterdam 17 Februari 1891; W. 6029.

3230. De schuldeischer is bevoegd, ook als de borgen zich onder afstand van het voorrecht van uitwinning hebben verbonden, alle zijne rechten op zijn schuldenaar te verhalen, zonder verplicht te zijn diens borgen daarvan en van het in gebreke zijn van den schuldenaar in kennis te stellen. — Rechtb. Utrecht 11 November 1891; W. 6122; R. W. v. N. 730.

3231. De borg is ook zonder opzegging of ingebrekestelling tot betaling verplicht, zoodra de schuld van den hoofdschuldenaar opvorderbaar is. — Rechtb. Alkmaar 10 Maart 1892; W. v. N. R. 1167.

3232. Het feit dat een verhuurder in zoodanige mate in zijne verplichtingen te kort schiet, dat de huurder desgevorderd, buiten twijfel ontbinding der huurovereenkomst zou hebben verkregen, ontslaat den borg des huurders niet om bij gebreke des laatsten de huur aan den verhuurder te voldoen — Kantong. Lemmet 10 November 1893; W. 6428; Mb. DW. IX, 10.

3233. Uit geene wetsbepaling volgt, dat om den borg te kunnen aanspreken, de schuldenaar eerst door eene sommatie moet worden ingebreke gesteld. — Hof 's-Gravenhage 17 November 1890; W. 5952; P. v. J. 1890, 100; R. W. v. N. 697; T. v. N. VIII, 375.

In denzelfden zin Rechtb. Amster-

Sluiten