Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amsterdam 20 December 1889; P. v J. 1890, 20.

1056. Niet de inhoud der dagvaarding alleen, maar de geheele litis contestatie komt bij de beoordeeling van het beslissend karakter van een eed in aanmerking. — Kantong. Hoogeveen 13 Maart 1890; P. v. J. 1890, 44.

1057. Indien een onderhandsche akte bewijskracht mist, omdat er de eigenhandig door den debiteur te stellen goedkeuring aan ontbreekt, dan kan dat gebrek niet worden aangevuld door een eed houdende: „Ik zweer, datdeonderteekening, voorkomende onder de bewuste akte, niet door mij is gesteld". — Rechtb. 's-Gravenhage 7 October 1890; W. 5952; R. W. v. N. 694. (Zie nos. 259, 260 en 261.)

1058. Een eed "omtrent het al of niet gesloten zijn van eene dading, is niet beslissend. — Rechtb. Rotterdam 25 October 1890; W. 5993.

1059. De decisoire eed loopende over de vraag of de eischer ten behoeve van den gedaagde talrijke met name aangeduide leverantiën en werkzaamheden al dan niet heeft gedaan bij de verbouwing van twee huizen, kan niet worden opgelegd, omdat iemand, die huizen laat verbouwen, niet kan noch behoeft te weten of alle in rekening gebrachte materialen hem zijn geleverd en de !

uren arbeids voor hem zijn verricht.

Rechtb. Middelburg 26 Juni 1889; Mb Dw. V, 4.

1060. Een decisoire eed moet, ingeval de geheele schuldplichtigheid is ontkend, ook den titel dier schuldplichtigheid inhouden. — Kantong. Maastricht 1 October 1889; W. 5902; Mb. Dw. VI, 6.

1061. Indien de gedaagde heeft erkend,

dat hij in den winkel van den eischer de stof voor een jas heeft uitgezocht, doch ontkent de jas voor f 33 gekocht te hebben, dan mag hem de eed, dat het onwaar is, dat hij in den winkel van den eischer de stof voor een jas heeft uitgezocht en daarna met den eischer den koop van die jas heeft gesloten voor den koopprijs van f 33 niet worden opgelegd. — Kantong. Middelburg 8 April 1889; Mb. Dw. V, 2.

1062. Indien de gedaagde bij de ontkentenis van de schuldoorzaak voegt, dat hij derhalve ontkent iets aan den eischer schuldig te zijn, dan is de eed, waarbij den gedaagde opgedragen wordt de onwaarheid der gestelde schuldoorzaak te bezweren, zonder dat hem tevens wordt opgedragen te zweren, dat hij deswege iets aan den eischer schuldig is, niet beslissend. — Kantong. Maastricht 16 October 1888; W. 5855.

1063. De eed aan den eischer opgedragen, dat het niet waar is dat hij met gedaagde een accoord heeft getroffen, krachtens hetwelk hij zich zou tevreden stellen met 50 pCt., welk bedrag eischer reeds zou hebben ontvangen, houdt geen erkende en tegelijk ontkende feiten in, maar bevat een geheel tegenover de bewering van eischer, dat hij die som slechts als afrekening op de aannemingssom zou hebben ontvangen. De eed is dus beslissend. — Rechtb. Amsterdam 8 Mei 1891; W. 6105.

1064 Een eed, waarbij door de eene partij aan de andere wordt opgedragen te zweren, dat deze in werkelijkheid aan een derde een som gelds heeft geleend, welke die derde bij notariëele akte beleden heeft schuldig te zijn, is niet dubbelzinnig. — Rechtb. Assen 18 October 1886; W. 5442; W. v. N. R. 923; R. W. v. N. 596.

Sluiten