Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan veertien dagen voor het verzet bekend was. — Rechtb. Amsterdam 18 Mei 1893. Hof Amsterdam 20 April 1894; P. v. J. 1894, 83.

1074. Indien twee verhuurders van hetzelfde pand, den huurder tot betaling van den huurprijs dagvaarden, dan kan de huurder, bewerende dat hij dooreen der verhuurders van de huur is ontslagen, tot bewijs dier bewering volstaan met aan dien éénen verhuurder den beslissenden eed op te dragen. — Kantong. Middelburg 5 Juni 1893; Mb. Dw. IX, 3.

1075. De toelaatbaarheid van een beslissenden eed hangt niet daarvan af, of deze op zich zelf het geheele geding kan beëindigen, doch van de omstandigheid of daardoor in verband met andere bewijsmiddelen het bewijs kan worden verkregen. — Rechtb. Alkmaar 31 Mei 1894; W. 6512; W. v. N. R. 1284.

1076. Omtrent een saldo-cijfer kan slechts dan een decisoire eed worden opgedragen als vaststaat, dan alle gestelde daadzaken, die tot dat saldo geleid hebben, vatbaar zijn om door hem, aan wien de eed wordt opgedragen, bezworen te worden. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 5 October 1894; W. 6638.

1077. Een beslissende eed kanalleen worden afgelegd, wanneer deszelfs aflegging zal strekken ten voordeele van dengene, die hem aflegt. — Kantong Middelburg 30 September 1889; Mb. Dw. XIX, 15.

1078. De woorden: „vordering of exceptie" in dit artikel, hebben de beteekenis van feitelijke bewering. — Rechtb. Assen 28 April 1884; W. 5066; N. R. B. 1884, A. 309.

1079. Wanneer de gegrondheid eener vordering afhangt van twee feiten, waarvan de waarheid of onwaarheid niet behoelt samen te vallen, dan kan geen decisoire eed worden opgedragen, die beide feiten oinvat. — Rechtb. 's-Gravenhage 9 Februari 1911; W. 9153.

1080. De decisoire eed, dat een pachter zijne als zoodanig op hem rustende verplichtingen tot het zuiveren der gepachte landerijen van schadelijk onkruid „zooveel mogelijk" is nagekomen, is niet beslissend, daar die eed mede betreft de appreciatie van het feit of de door den pachter verrichte daden van zuivering nog voor uitbreiding vatbaar waren. — Hof 's-Gravenhage 27 Januari 1911; W. 9237.

1081. De eed opgedragen ten bewijze, dat eene authentieke akte ten onrechte vermeldt, dat een koopprijs werd betaald, is niet beslissend, wanneer hij alleen spreekt van betaling in geld en niet omvat een andere wijze, waarop den verkooper naar zijn genoegen kan zijn betaald. — Hof 's-Gravenhage 4 April 1910; W. 9095. Cassatie verworpen H. R. 3 Maart 1911, concl. conf.; W. 9149; N. R. CCXVK, 193.

1082. Wanneer is uitgemaakt, dat tusschen partijen de overeenkomst van de verstrekking van geld op prolongatie bestond, maar dat feitelijk uitwisseling van geld en effecten met het oog op wederzijdsche verzekering achterwege bleef, dan is terecht de eed, die tot strekking had het niet plaats hebben dier uitwisseling vast te stellen en dus aan te toonen, dat de verbintenis waaruit geageerd wordt geene, althans niet de er in uitgedrukte oorzaak had, als niet beslissend ter zijde gesteld. — H. R. 8 Januari 1908, concl. conf.; W. 8792; P. v. J. 1908, 820; N. R. CCXI, 1.

Sluiten