Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1083. Een decisoire eed is niet toelaatbaar, wanneer hij verschillende feiten behelst, waarvan het eene waar, het andere onwaar kan zijn, zoodat hunne beëediging in eens niet mag worden gevorderd. — Rechtb. Tiel 16 November 1906; W, 8474.

1084. Wel kan volgens dit artikel in eiken stand van het geding een eed worden opgedragen, maar zulks is niet meer geoorloofd, nadat de instructie van het geding geheel was afgeloopen en de rechter alleen om daarvan -de beslissing van het geding te doen afhangen, aan een der partijen een suppletoiren eed had opgelegd. — Rechtb. Amster dam 29 Maart 1907; W. 8737.

1085. Wijl rente niet denkbaar is zonder hoofdsom, is een decisoire eed

omtrent rentebeding ten aanzien eener ontkende hoofdsom niet beslissend te achten. — Rechtb. Maastricht 16 Maart 1905; W. 8347.

1086. Wanneer de bevestiging of ontkenning van een onderdeel van een eed voor de beslissing van het betrokken geschil van geen belang is, dan kan die eed niet worden opgelegd. — Rechtb. Amsterdam 21 April 1905; P. v. J.

1905, 503.

1087. Het is in strijd met de woorden der wet en de bedoeling des wetgevers om verschillende eeden ter keuze der Rechtbank op te dragen. — Rechtb. Amsterdam 21 April 1905; P. v. J.

1906, 503; N. M. v. H. XVII, 202.

1088. Wanneer de tegenpartij zich er tegen verzet, dan kan bij conclusie vlak voor pleidooi te nemen, geen opdracht van een beslissenden eed worden toegelaten. — Rechtb Utrecht 24 Februari 1909; W. 8833.

1089. Beslissing, dat bij wat feitelijk was uitgemaakt, de Rechtbank terecht heeft beslist, dat een opgedragen eed beslissend was en betrof eene daadzaak persoonlijk verricht door dengene aan wien de eed was opgedragen. — H. R. 3 Juni 1910, concl. conf.; W. 9034; P. v. J. 1910, 971; N. R. CCXV, 197.

1090. Wanneer door een eischer is gesteld, dat hij tegen den gedaagde eene vordering heeft uit eene overeenkomst van verbruikleen en de gedaagde die overeenkomst ontkent, dan loopt het verschil tusschen partijen enkel en alleen over het al of niet bestaan dier overeenkomst; daarin wordt dan geene verandering gebracht door mededeelingen omtrent geheel andere rechtshandelingen tusschen partijen door den gedaagde aan zijne ontkentenis toegevoegd. Derhalve kan een eed door den eischer ter

beslissing van het geding aan den gedaagde opgedragen ook alleen loopen over het al of niet bestaan der overeenkomst van verbruikleen. De overige mededeelingen mogen er niet in worden vermeld. — Hof Amsterdam 11 Maart 1910, met verniet. Rechtb. Amsterdam 4 Maart 1908; W. 9041.

1091. Wanneer in een bepaald geding de gegrondheid der vordering is betwist op grond eener enkele bewering, dan is ook beslissend de eed, waardoor over de al of niet juistheid dier bewering zal worden beslist, zonder dat daarop invloed kan worden uitgeoefend door de abstracte mogelijkheid van het bestaan van andere gronden tot afwijzing der vordering. — Hof Amsterdam 31 December 1909; W. 9044; W. v. N. R. 2140.

1092. Wanneer tegenover het schriftelijk bewijs eener opgevorderde schuld, in welk bewijsstuk de schuldenaar erkende

Sluiten