Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het oog. — Hof Amsterdam 6 November 1911; W. 9337 (met bevest. Rechtb. aldaar 25 April 1910).

1381. Mr. S. Verkoop van eens anders roerende zaak. Toepassing van art. 2014 B. W. — Not. W. 20.

1382. Mr. N. F. van Nooten. Het recht des eigenaars om de hem toebehoorende roerende zaak van eiken bezitter of houder op te vorderen, ook buiten de gevallen van het 2e lid van art. 2014 B. W. voorzien. — Them. XLV, 161.

1383. Mr. S. Gratama Bz. Een opmerking naar aanleiding van art. 20146 B. W. — R. M. III, 421.

1384. Onder de in art. 2014 B. W. genoemde ontvreemdingen is het misdrijf van verduistering niet begrepen. — Rechtb. Amsterdam 13 Maart 1907; W. 8567; W. v. Not. 107.

1385. Wel zijn bij de wet van 26 April 1884 (St 93) de woorden van art. 2014 B. W. „ontstolen", „het gestolene" en „diefstal" veranderd in „ontvreemd" en „ontvreemding" maar het doel van die wijziging was niet om daardoor een straffeloos feit te kennen te geven, maar om daaronder tevens andere misdrijven te begrijpen die ook de kenmerken van diefstal bevatten, als strooperij, afpersing enz., waartoe als wettelijk vereischte behoort het oogmerk om zich het weggenomene wederrechtelijk toe te eigenen. — Rechtb. Utrecht 8 April 1908; W. 8738.

1386. In de tweede alinea van art. 2014 B. W. is onder „ontvreemding" niet „verduistering" begrepen. — Hof 's-Gravenhage 15 December 1908; W. 8821; P. v. J. 826.

1387. Met ontvreemding in art. 2014, al. 2 B. W. wordt niet ook bedoeld verduistering, maar alleen die misdrijven, die het kenmerk van diefstal dragen. — Rechtb. Maastricht 14 Mei 1908; W. v. N. R. 2052, bevest. door het Hof 's-Hertogenbosch 19 October 1909; W. 8999; W. v. N. R. 2087; W.

I v. Not. 255.

1388. Onder het begrip „ontvreemding" in art. 2014, 2e lid B. W. vallen alleen die handelingen, die onder den Code Pénal onder diefstal waren begrepen of de kenmerken van diefstal bevatten. — H. R. 26 Januari 1912, concl. conf.; W. 9311.

1389. Iemand, die eene vordering instelt op grond van art. 2014, al. 2 B. W. kan niet volstaan met bij dagvaarding te stellen, dat de teruggevorderde voorwerpen hem zijn ontvreemd; hij zal feiten moeten stellen, waaruit blijkt van de wijze van ontvreemding, opdat de rechter kunne beoordeelen of van de toepasselijkheid van art. 2014, al. 2 B. W. sprake kan zijn, — Hof Amsterdam 21 Mei 1909; W. 8894 (verniet, bij het volgend arr. H. R ).

1390. Wanneer een eischer tot revindicatie in de dagvaarding heeft gesteld, dat hij eigenaar is der goederen, die hij terugvordert, en dat die goederen hem ontvreemd zijn, dan behoeft hij daarbij niet te stellen, waar, door wien en onder welke omstandigheden de ontvreemding heeft plaats gehad; een eisch, waaraan in den regel onmogelijk zal kunnen worden voldaan en die in art. 2014, al. 2 B. W. ook niet wordt aangetroffen.

Het woord „ontvreemding" in deze wetsbepaling is geene juridische qualificatie, maar een zuiver feitelijk begrip, te weten te zamen met het woord „ver-

Sluiten