Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. v. N. R. 2053. Cassatie verworpen H. R. 18 Juni 1909, concl. conf.; W. 8881; P. v. J. 1909, 869; W. v. N. R. 2072; W. v. Not. 223; N. R. CCXII, 205 (met bevest. Rechtb. Arnhem 11 Juli 1907; zie no. 439 Deel I).

116. A. Moll. Hypotheek op onroerend goed eener in algeheele gemeenschap gehuwde vrouw. — W. v. Not. 127. (Naar aanleiding van het vonnis Rechtb. Arnhem 11 Juli 1907, opgenomen onder no. 439 Deel I. S. betoogt dat uit de procedure blijkt, dat ook bij wettelijke huwelijksgemeenschap wenschelijk is de vrouw te laten medewerken tot het verleenen vaij hypotheek op onroerend goed, dat te haren name is aangekocht.)

117. Tot de baten eener huwelijksgemeenschap behooren ook de onlichamelijke roerende goederen, n.1. vermogensrechten, waartoe ook zeker behoort het recht op een lijfrente op het leven van een der echtgenooten gesloten. — Hof 's-Gravenhage 6 Februari 1911; W. 9202; W. v. Not. 317.

118. Het aandeel van een erflater in eene vennootschap onder firma valt niet in de huwelijksgemeenschap, dietusschen den erflater en zijne overlevende echtgenoote bestond. — M. F. 14 December 1911, no.4; W. v. N. R. 2235; W. v. Not. 367; P. W. 10538. (Zie no. 427 Deel I.)

119. J. A. Luijsterburg. Fidei-commis de residuo in de gemeenschap van goederen. (Naar aanleiding van de vraag besproken door O. Dammers in W. v. N. R. 2196 of het fidei-commis de residuo al of niet valt in de gemeenschap van goederen en of de insteller de bevoegdheid heeft te bepalen, dat het niet in de gemeenschap zal vallen. S. meent dat de goederen, in een fidei-commis de residuo begrepen, niet door den bezwaarde

tengevolge van zijn huwelijk in gemeenschap van goederen, worden vervreemd, en dat ze aan hem en zijne echtgenoote te zamen toebehooren, en dat bij ontbinding der gemeenschap de helft der goederen aan den anderen echtgenoot of de erfgenamen toekomt onder den last om wat bij het overlijden van den bezwaarde overblijft, aan de verwachters uit te keeren.) — W. v. N. R. 2206. (Zie no. 426 Deel I.)

120. Prof. mr. Paul Scholten. Vruchtgebruik, Fidei-commis enz. en Huwelijksgemeenschap (betreffende de vraag of met fidei-commis bezwaarde eigendom,

; vruchtgebruik en lijfrente deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap). — W. v. N. R. 2089.

Art. 179.

121. Zoolang de huwelijksgemeenschap bestaat, is alleen de man bevoegd eene vordering betreffende de goederen der gemeenschap in te stellen. — Hof 's-Gravenhage 21 Juni 1909; W. 8951 ; P. v. .J. 1909, 928; W. v. N. R. 2099; W. v. Not. 236. (Zie 110. 454 Deel I.)

122. Al onderstelt de wet blijkens art. 165 B. W. ook bij de in wettelijke gemeenschap gehuwde vrouw de mogelijkheid om zelve in rechten te staan, mits behoorlijk gemachtigd, zoo is niettemin die mogelijkheid uitgesloten, zoodra de rechtsstrijd loopt over tot de gemeenschap behoorend geld of goed, naardien art. 179 B. W. den man tot uitsluitend beheerder der gemeenschap stelt met uitvoerige regeling der aan hem deswege toegekende bevoegdheden en opgelegde plichten, zoodat het voeren van een rechtsstrijd tot uitoefening dier rechten of vervulling dier plichten, ook uitsluitend aan dien beheerder zeiven toekomt. — H. R. 30 December 1910,

Sluiten