Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 201.

Art. 204.

139. Art. 201 B. W. moet in dien zin worden toegepast, dat volgens den regel van art 557 B. W. de bij het overlijden van een der echtgenooten nog niet opeischbare vruchten van deprivégoederen der vrouw aan haar toekomen, tenzij hieromtrent bij huwelijksvoorwaarden anders is overeengekomen. — M. F. 30 Mei 1907, no. 14; P. W. 10041; W. v. Not. 132.

140. Bij uitsluiting van de gemeenschap van vruchten en inkomsten, en bij gebreke van de in dit artikel bedoelde bedingen blijven de onverteerde, door den man niet gebruikte inkomsten uit de goederen der vrouw eigendom van de vrouw; de uitsluiting van die gemeenschap brengt mede, dat de vrouw den eigendom van de vruchten en inkomsten harer goederen behoudt, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald mocht zijn

Ten onrechte heeft de Rechtbank beslist, dat het in art. 201 B. W. genoemde beschikkingsrecht slechts eigendomsrecht kan zijn; noch de tekst, noch de geschiedenis van dit artikel geeft daartoe aanleiding; de uitdrukking „ter beschikking" pleegt, zoo min in de wet (zie art. 639 v.v. B. W.) als in het dagelijksche leven te worden gebruikt ter aanduiding van het eigendomsrecht; de artt. 200 en 201 B. W. zijn niet ontleend aan art. 1530 C. C. — wat aan evenbedoelde zienswijze eenigen steun zou geven — doch, zooals eene eenvoudige vergelijking van den tekst reeds buiten twijfel stelt, aan art. 1537 C. C.; waar onze wetgever dus voor oogen had een artikel, dat het niet verteerde gedeelte der vruchten en inkomsten aan de vrouw liet, zou hij het duidelijk hebben gezegd, indien hij daarvan wilde afwijken. — Hof 's-Hertogenbosch 7 Januari 1913; W. 9417; W. v. N. R. 2255; W. v. Not. 471.

141. Hangende eene procedure tot echtscheiding kan een der echtgenooten geen afstand doen van de rechten, voor haar uit de huwelijksvoorwaarden voortspruitende. Zoodanige overeenkomst is in strijd met de bepaling van art. 204 B. W. en wordt ook gewraakt door art. 1715 B. W. — Hof Arnhem 4 Maart 1908, W. 8817; W. v. N. R. 2051; W. v. Not. 186.

142. Wanneer bij de huwelijksvoorwaarden is bedongen, dat bij ontbinding des huwelijks de man gehouden zal zijn om een aanbreng in geld aan de vrouw terug te geven, clan is bij ontbinding de man tot die teruggave verplicht en kan hij niet volstaan met het doen van rekening en verantwoording over dat bedrag. Evenmin kan hij zich aan de teruggave onttrekken door een beroep op het feit, dat het bedrag met toestemming der vrouw geleidelijk ten bate der gemeenschappelijke huishouding is opgebruikt; immers daardoor zou hangende het huwelijk wijziging zijn gebracht in de huwelijksvoorwaarden. —

Rechtb. Amsterdam 23 December 1910; W. 9349.

143 Aan de vrouw kan geen machtiging worden verleend om met den man eene vennootschap van koophandel aan te gaan; daardoor toch zou feitelijk na het huwelijk verandering worden gebracht in de huwelijksvoorwaarden. — Kantong. Enschedé 29 Augustus 1912; W. 9381; W. v. Not. 425.

144. Overeenkomsten tusschen echtgenooten, derhalve staande huwelijk gesloten, zijn in de wet niet in het algemeen verboden; de toelaatbaarheid in het algemeen volgt integendeel uit het verbod van bepaalde overeenkomsten

Sluiten