Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit het ontbonden huwelijk geboren kinderen geregeld te zien, is niet voor toewijzing vatbaar. — Hof Arnhem 21 December 1910; W. 9151; T. d. K. V, 5.

Art. 285c.

253. Ingeval een vonnis tot echtscheiding in kracht van gewijsde is gegaan voor de wet van 27 September 1909 (St. 322) moet art. 285c B. W. buiten toepassing blijven. — Rechtb. Amsterdam 24 Juni 1910; W. 9177.

254. De omstandigheid, dat de Rechtbank bij het geven der beslissing, bedoeld in art. 284 B. W. van de haar bij art. 2856 B. W. toegekende bevoegdheid geen gebruik kon maken, omdat toen zij de beslissing gaf, dat art. 2856 B. W. niet bestond, verhindert den Kantonrechter niet het bevel te geven, bedoeld in art. 285c B. W. — H. R. 31 Augustus 1910, concl. conf.; W. 9060; T. d. K. IV, 90 ; N. R. CCXV, 446.

In denzelfden zin Hof Arnhem 11 Juni 1913; W. 9521; W. v. Not. 432.

Art. 288.

255. Mishandeling door den vader aan de kinderen aangedaan in bijzijn der moeder, kwetst en tast deze laatste zoozeer aan in haar moederlijk gevoel, dat zij te meer, wanneer zij gepaard gaat met feitelijkheden van den man jegens de moeder zelf, alleszins als buitensporigheden van den eenen echtgenoot jegens den anderen zijn te beschouwen. — Rechtb. Amsterdam 28 Juni 1907 en 30 April 1909; W. 9014.

256. De verlating van de gemeenschappelijke woning door de echtgenoote tegen den wil van den echtgenoot mag eerst dan onder het begrip „buiten-

Cremers, Aant. B. W., Ie s.

sporigheid'' worden gerangschikt, wanneer die verlating met omstandigheden gepaard ging, die aantoonen dat zij de uitvoering van het wel overwogen voornemen was, om niet weder in die woning terug te keeren. Als dergelijke omstandigheden zijn niet per se te beschouwen het meenemen van verschillende goederen der gemeenschap of het niet terugkeeren en weigerachtig blijven zulks te doen. — Rechtb. Amsterdam 6 December 1907; W. 8826. (Zie nos. 937 en 938 Deel I.)

257. Een man die vrouw en kinderen achterlaat zonder in hun onderhoud te willen voorzien, maakt zich schuldig aan eene buitensporigheid als bedoeld in art. 288 B. W. — Rechtb. Breda 7 April 1908; W. 8783.

258. Het weigeren van den man om zijne vrouw in de gemeene woning op te nemen is zeer zeker te beschouwen als eene buitensporigheid, als bedoeld bij art. 288 B. W. en volgens dat artikel grond kunnende opleveren voor de toewijzing eener vordering tot scheiding van tafel en bed, zulks echter ten ware verregaande misdraging der vrouw tot die weigering aanleiding mocht hebben gegeven, in welk geval alle buitensporig karakter aan die weigering zou kunnen worden ontnomen. — Rechtb. Zwolle 29 April 1908; W. 8716; W. v. Not. 157.

259. Voor de toewijsbaarheid eener vordering tot scheiding van tafel en bed wordt niet vereischt, dat bewezen zijn feiten, die opleveren mishandeling èn beleediging èn buitensporigheden, genoemd in art. 288, al. 2 B. W., doch het vaststaan van feiten, op welke een dier qualificaties teepasselijk is, is voldoende. — Hof Leeuwarden 27 Januari 1909; W. 8842.

3

Sluiten