Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van feiten en omstandigheden, waarvan de juistheid door den ander wordt betwist en waar dus de vraag moet worden beslist, niet alleen of er aanleiding bestaat tot toewijzing van de actie, maar, zoo ja, vooral ook aan wie der beide echtgenooten die actie behoort te worden toegewezen, is het voor den rechter van het hoogste gewicht, niet alleen te kennen de feiten zelve die, hetzij reeds ieder op zich zelf genomen, hetzij alleen in samenhang met anderen, grond kunnen opleveren voor eene toewijzing der actie doch ook, ter beoordeeling van aard en gewicht er van, alles, wat direct of indirect, die feiten in het leven riep, met het gevolg dat partijen in zoo'n geding behooren te worden toegelaten tot het bewijzen van al de feiten, die tot de meest volkomen kennis van hunne onderlinge verhouding kunnen leiden. — Hof Arnhem 13 April 1910; W. 9040.

269. Het door den man opzettelijk beletten, dat de vrouw over hare goederen het beheer voert, dat zij zich bij huwelijksche voorwaarden heeft voorbehouden, levert in den zin van art. 288 B. W. eene buitensporigheid op. — Rechtb. Amsterdam 17 November 1911; W. 9372.

270. De man is in zijne vordering tot scheiding van tafel en bed gegrond op het verlaten der echtelijke woning door de vrouw, en hare weigering terug te keeren, niet ontvankelijk, nu hij niet stelt, dat zij zonder wettige oorzaak of kwaadwillig die woning verliet en hij de tusschen partijen voorgevallen huiselijke oneenigheden niet nader omschrijft, zoodat niet kan worden beoordeeld of deze van dien aard waren, dat zij de verlating der echtelijke woning door de vrouw al dan niet rechtvaardigden. — Rechtb. Amsterdam 5 April 1912; W. 9483.

70

271. De uitlegging van door eischer aan gedaagde toegevoegde woorden en het vaststellen der daaraan te hechten bedoeling, staan geheel ter beoordeeling van den rechter, die over de feiten oordeelt.

Eene grove beleediging kan de toewijzing eener vordering tot scheiding van tafel en bed rechtvaardigen. — H. R. 14 Maart 1913, concl. conf.; W. 9488.

Art. 2!)0.

272. Art. 290 B. W. belet niet, dat eene vrouw, die op grond van overspel scheiding van tafel en bed vordert, later op grond van ander overspel, waarvan niet gebleken is, dat zij er ten tijde der eerste vordering mede bekend was, echtscheiding vordert, ook niet al heeft het in de laatste plaats bedoelde overspel buiten de vrouw om tot de beslissing des rechters op hare vordering tot scheiding van tafel en bed medegewerkt. — Hof 's-Hertogenbosch 31 October 1911; VV. 9307.

Art. 301.

273. Uit het bepaalde bij art. 301, lid 2 en 3 B. W. volgt, dat de Rechtbank als gevolg der scheiding van tafel en bed slechts voorziet in de uitoefening der ouderlijke macht over de minderjarige kinderen van partijen, welke bij het uitspreken van die scheiding geboren zijn, dus niet over die, waarvan de vrouw zwanger is. Hiertegenover kan geen beroep worden gedaan op art. 3 B. W., omdat, wanneer niet met toepassing van art. 301 B. W., ten opzichte van het kind de uitoefening van de ouderlijke macht wordt geregeld, de' artt. 354 en 355 B. W. voorschrijven door wien die macht wordt uitgeoefend, zoodat er van een belang, als bedoeld in art. 3 B. W. niet blijkt. — Hof Amsterdam

Sluiten