Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiding met de voogdij belaste moeder, is de voogdijraad niet-ontvankelijk in het verzoek tot ontzetting van den vader, daar deze geen voogdij heeft. — Hof Amsterdam 20 November 1912; T. d. K.

V, 124.

Art. 4406.

396. In het geval omschreven in art. 4406 B. W. kan, maar behoeft een ontzette voogd niet in de voogdij te worden hersteld. — H. R. 29 October 1909, concl. conf.; W. 8917; P. v. J. 1909, 891; T. d. K. IV, 15.

397. Ook wanneer de feiten, die tot de ontheffing van een ouder uit de voogdij hebben geleid, zich niet langer tegen het herstel der voogdij verzetten, is de Rechter nog niet verplicht de herstelling uit te spreken. De Rechter heeft dan bij zijne beslissing rekening te houden met de belangen van het kind. — Hof Amsterdam 11 Maart 1912; W. 9332; W. v. Not. 359.

398. Herstel in de voogdij eener moeder kort tevoren daaruit ontzet op grond van verwaarloozing der kinderen, gepaard aan een onzedelijk leven der moeder, nu uit het onderzoek bleek, dat de moeder geen onzedelijk leven leidde, in hare woning ordelijk en zindelijk was en hare kinderen niet verwaarloosde, maar alleen arm was, wat naar 's Rechters oordeel geen grond kan opleveren om het verzoek af te wijzen. — Rechtb. Amsterdam 15 Juli 1910; W. 9045.

Art. 441.

399. Volgens art. 441 B. W. vertegenwoordigt de voogd den minderjarige in alle burgerlijke handelingen, met het gevolg, dat de bijzondere aan eene moeder-voogdes toegevoegde raadsman, wiens

toestemming voor daden, de voogdij betreffende, de moeder-voogdes behoeft, de bevoegdheid mist om niet de voogdes in rechten op te treden. — Rechtb. Haarlem s. d ; P. v. J. 1909, 808.

Art. 443.

400. Geene wetsbepaling, inzonderheid niet art. 443 B. W., verbiedt den voogd gelden van den minderjarige op tweede hypotheek uit te zetten. — Hof 's-Gravenhage 25 Maart 1912 ; W. 9294; W. v. N. R. 2216.

Art. 451.

401. De Kantonrechter behoeft geene toestemming te geven tot het geheel of gedeeltelijk doorhalen van hypotheken, ten bate van een minderjarige gevestigd. — Kantong. Assen 26 Januari 1912; W. v. N. R. 2201.

Art. 459.

402. Eene zuivere aanvaarding door den voogd van eene nalatenschap aan den onder diens voogdij staanden minderjarige opgekomen, heeft terugwerkende kracht. — Rechtb. 's-Gravenhage 13 Juni 1911; W. 9215; W. v. Not. 329.

Art. 4(>3.

403. Eene door den voogd als zoodanig ingestelde vordering tot scheiding en deeling is ontvankelijk, zoowel, wanneer de bij art. 463 B. W. vereischte machtiging tijdens, als wanneer deze voor het geding verleend werd. — Hof Amsterdam 31 October 1910; W. 9168.

Art. 467.

404. Wanneer een Nederlander dooiden Nederlandschen Rechter tot voogd

Sluiten