Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is niet verboden, dat in een geschil over de opheffing eener curateele andere Rechters dan die het verhoor der bloed- en aanverwanten van den curandus hebben bijgewoond, tot de einduitspraak medewerken. — H. R. 26 Mei 1911, concl. conf.; \V. 9195; W. v. Kot. 343; N. R. CCXVIII, 139.

Art. 519.

429. Het doen eener aangifte tot faillietverklaring is geene beheersdaad, waartoe de over een afwezige ex art. 519 B. W. benoemde bewindvoerder bevoegd is. — Rechtb Rotterdam 24 Augustus 1910 (bevest. door Hof's-Gravenhage 5 September 1910); W. 9075.

430. De bewindvoerder eens afwezigen zal, wanneer hij als zoodanig eene nalatenschap opvordert, moeten bewijzen, dat de door hem vertegenwoordigde

afwezige nog in leven was, toen de nalatenschap openviel. — H. R. 30 December 1910, concl. conf.; W. 9118; N. R. CCXVI, 320.

431. Er bestaat geen grond tot benoeming van een bewindvoerder over een afwezige, wanneer die beweerdelijk afwezige wel in Duitschland woont, maar van daaruit zijne zaken beheert en alleen weigert tot eene boedelscheiding mede te werken. — Rechtb. Rotterdam 2 Maart 1911; W. 9189; W. v. Not. 318.

Art. 520.

432. Bewindvoerders voor een afwezige die aan een derde den last geven de in den boedel aanwezige roerende goederen te schatten, ten einde aldus te komen tot de in art. 520 B. \¥. bedoelde beschrijving zijn voor de daardoor ontstane kosten persoonlijk aansprakelijk. —

Rechtb. Breda 19 November 1912; W. 9447; W. v. Not. 420.

Art. 522.

433. ïn art 522 B. W. zijn met het woord „ontvangst" bedoeld alle mogelijke 'ontvangsten, van welken aard dan ook, dus ook de opbrengst van effecten ter voldoening van legaten te gelde gemaakt. — H. R. 13 Maart 1908, concl. conf.; W. 8681; P. v. J. 1908, 742; W. v. N. R. 2011; W. v. Not. 146.

Art. 555.

434. In het algemeen kan niet gezegd 1 worden dat eene zaak, daaronder verstaan liet complex van al hetgeen naar

billijkheid en gebruik noodig is voor de uitoefening van een bepaald bedrijf, is een op geld waardeerbaar bestanddeel van een boedel, maar zulks zal voor ieder geval steeds afzonderlijk moeten worden nagegaan; bestaat eene „zaak" uit een geheel van goederen, hetzij roerend oi onroerend, rechten en feitelijke relaties, welke dienstig zijn voor een bepaald bedrijf, dan heeft zeer zeker zulk een geheel op zichzelf eene bepaalde waarde, welke niet moet worden geschat naar de waarde, die de verschillende onderdeelen vertegenwoordigen, maar waarbij vooral rekening moet worden gehouden met de winst, welke met het bedrijf moet worden behaald. — Rechtb. Alkmaar 21 Juni 1906; W. 8847.

435. Een eigen graf op een particuliere begraafplaats is (en was ook onder vigueur van het Oud-Hollandsch recht) eene verhandelbare zaak, waarvan de eigendom ook door verjaring kan worden verkregen. — Rechtb. Amsterdam 3 Januari 1910; W. 9072.

436. Eene vergunning tot verkoop

Sluiten