Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van sterken drank in het klein is geene zaak in den zin van art. 555 B. W. — M. F, 6 Augustus 1909, no. 5; P. W. 10310; W. v. N. R. 2129; W. v. Not. 263.

437. Ofschoon wetenschappelijk nog niet vaststaat, wat electriciteit is, zoo moet zij in het verkeer toch als eene (roerende) zaak worden beschouwd. — M. F. 24 Juli 1911, no. 11; P. W. 10525; W. v. N. R. 2233; W. v. Not. 366. (Zie aanvullingen Deel II.)

Art. 560.

438. Mr. Jules Goudeket. De onderscheiding der zaken in roerende en onroerende. — W. v. N. R. 2114 en 2115.

Art. 563.

439. Wel kan eene zaak onroerend zijn door bestemming, wanneer zij namelijk dienstbaar is aan het onroerend goed, zoodat bij verwijdering daarvan het onroerend goed ophoudt aan zijne bestemming te beantwoorden, doch eene zaak, enkel dienstbaar aan eene affaire in een onroerend goed uitgeoefend, wordt niet door bestemming onroerend. — Rechtb. Haarlem 1909; P. v. J. 1909, 951.

Art. 577.

440. G. Vlug. Rivierenrecht. — W. v. Not. 377.

441. Een oude arm eener bevaarbare en vlotbare rivier, die nog bevaarbaar en vlotbaar is en die wel van de rivier werd afgesloten, maar welks water toch bij een gewonen hoogen zomerwaterstand met de rivier weer in gemeenschap treedt, is te beschouwen als eene bevaarbare en vlotbare rivier, als bedoeld in art. 577 B. \V. — Rechtb. Maastricht 25 Januari 1911; W. 9143.

442. Vaststaande: a. dat een meertje slechts voor vaartuigen van zeer weinig diepgang bevaarbaar is en dan nog alleen gedeeltelijk en onder de gunstigste omstandigheden ; b. dat bij een in dat meertje aanwezige aanlegplaats het water zoo weinig bevaarbaar is, dat een gewone roeiboot daar grond haalt, en c. dat het meertje slechts aan één kant te bereiken is, — is terecht beslist, dat dit meertje behoort tot de wateren, bedoeld in art. 577 B. W. - H. R. 26 Juni 1911, concl. conf.; W. 9217.

443. Aan art. 577 B. W. moet niet een zoodanige beteekenis worden gehecht, dat de daarin genoemde wateren reeds dan aan den Staat zouden toebehooren,- zoodra zij voor eenig vaartuig van hoe geringen omvang ook, toegankelijk zijn; blijkens den oorsprong van het artikel zijn alleen bedoeld die wateren, die om hun algemeene bruikbaarheid als algemeene verkeerswegen te water zijn aan te merken. — H. R. 15 April 1912, concl. contr.; W. 9339.

444. De vraag of een stroom bevaarbaar of vlotbaar is in den zin van art. 577 B. W. behoort slechts dan bevestigend te worden beantwoord, wanneer blijkt, dat het bevaren water is een verkeersweg te water, strekkende tot algemeen gebruik. — H. R. 9 December 1912, concl. conf.; W. 9435.

445. De rivier de Mark is een verkeersweg te water tot algemeen gebruik strekkende en behoort mitsdien tot de bevaarbare en vlotbare stroomen en rivieren, bedoeld in art. 577 B. W. — Hof 's-Hertogenbosch 23 Juli 1912; W. 9385.

Art. 583.

416. J. Versteeg. Het recht van medeeigendom. Ac. Pr. Leiden 1912. Bespro-

Sluiten