Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

464. Ook al moest in een verpachting van een perceel groncL door een nietbezitter stoornis van het bezit van dat land worden gezien, dan nog zou dit den bezitter niet niet-ontvankelijk maken in eene vordering meer dan een jaar na de verpachting ingesteld tegen den pachter ter zake van bezitsstoornis gepleegd binnen het jaar vóór de dagvaarding. — Rechtb. Haarlem 8 Februari 1910; W. 9137.

465. De wet stelt aan eene vordering tot handhaving in het bezit geen andere eischen, dan dat de eischer tijdens de stoornis had het wettig bezit en dat de vordering zij ingesteld binnen het jaar te rekenen van den dag, waarop de bezitter in zijn bezit is gestoord; zij vordert niet een éénjarig bezit voor de stoornis. — Rechtb. Arnhem 15 September 1910; W. 9192.

Art. 015.

466. Voor de ontvankelijkheid eener vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige stoornis in het bezit is geene ingebrekestelling noodig. — Rechtb. 's-Gravenhage 15 December 1908; W. 8807; W. v. Not. 181.

Art. (515).

467. De actie van art. 619 komt alleen den bezitter, niet ook den blooten houder toe. — Rechtb. Utrecht 27 April 1910; W. 9015; W. v. Not. 257. (Zie nos. 255 en 256 Deel II.)

Art. (524.

468. Voor het instellen der actie van art.. 624 B. W. is, evenals voor die van art. 619 B. W. een vereischte, dat hij, die haar wil instellen, bezitter was. — Hof Leeuwarden 1 Mei 1912; W. 9397.

Cassatie verworpen H. R. 13 Juni 1913, concl. conf.; W. 9531; W. v. N. R. 2278.

469. Mr. J. C. van Oven. Een bezitsquaestie voor den Hoogen Raad. (Naar aanleiding van gemeld arr.) — W. v. N. R. 2292, 2293 en 2294.

Art. (525.

470. Mr. J. van Kuijk. Het begrip „eigendom". — Them. 1909, 337.

471. Het feit, dat een dijk, bijzonder eigendom zijnde, ten publieke dienste bestemd is, heeft niet tengevolge, dat het publiek orgaan onder welks beheer de dijk staat, aan derden vergunning kan geven tot handelingen op den dijk, die met deszelfs bestemming ten openbaren dienste niets hebben uit te staan. Ongeacht die vergunning kan de eigenaar zich tegen die handelingen verzetten. — Pres. Bes. Dordrecht 3 Juni 1910; W. 9061 (bevest. bij het volgende arr).

472. De vergunning van het openbaar gezag om zekere werken te verrichten in grond, die belast is met een onus publicum van openbaren weg, neemt niet weg, dat degene, die krachtens die vergunning wil handelen, nog behoeft de toestemming van den privaatrechtelijken eigenaar van den grond, waarover de weg loopt. — Hof 's-Gravenhage 12 Juni 1911; W. 9269.

473. De gemeente is bevoegd voorschriften te geven betreffende het onderhoud van aan privaat personen toebehoorende wegen, wanneer en voor zoolang als die wegen voor het publiek openstaan. — H. R. 4 April 1910, concl. conf.; W. 9016; P. v. J. 1910, 954; Gemst. 3069; N. R. CCXIV, 378; W. B. A. 3223. (Zie no. 302 Deel II.)

Sluiten