Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dering in rechten op te vorderen. — Hof Arnhem 30 October 1912 ; W. 9405; W. v. N. R. 2247; W. v. Not 442.

Art. 1069.

652. Een bewindvoerder, die buiten staat geraakt om zijne functies behoorlijk waar te nemen (in dit geval vertrek naar het buitenland in Staatsdienst) kan ontslag uit zijn bewind bekomen. - Hof Arnhem 5 September 1911; W. 9228; W. v. N. R. 2193; VV. v. Not. 350.

Art. 1076.

653. Prof. mr. E! M. Meijers. Het rechtskarakter der beneficiaire aanvaarding. — VV. v. N. R. 2202-2205.

654. De wet stelt geenszins het verlies van het voorrecht van boedelbeschrijving als straf op het niet maken van eene boedelbeschrij ving; zij doet integendeel den erfgenaam het vermogen van den boedel te doen beschrijven, ook na afloop van den termijn van beraad behouden, zoolang hij zich niet als zuiver erfgenaam gedraagt. Het eenige indirecte dwangmiddel om den erfgenaam tot het maken van boedelbeschrijving te nopen, bestaat in eene aanmaning tot het afleggen van rekening. — Hof 's-Hertogenbosch 13 Mei 1909; VV. 8966; W. v. Not. 297.

Art. 1077.

655. Het „willens en wetens" niet brengen op de boedelbeschrijving van eenige goederen, die tot de nalatenschap behooren, heeft geen verlies van het voorrecht van boedelbeschrijving tengevolge, zoolang niet tevens de kwade trouw is aangetoond. — Hof 's-Hertogenbosch 18 Mei 1909; W. 8966; W. v. Not. 297. (Zie no. 1573 Deel II.)

Art. 1078.

656. Een beneficiair erfgenaam als zoodanig door een schuldeischer der nalatenschap aangesproken, kan met recht vorderen, dat de uit te spreken veroordeeling worde beperkt door de bijzondere voorschriften voor het geval van beneficiaire aanvaarding voorgeschreven. — Hof 's-Hertogenbosch 18 Mei 1909; W. 8966; W. v. Not. 297.

657. Een beneficiair erfgenaam kan, aangesproken tot betaling eener schuld der nalatenschap vorderen, dat de tegen hem uit te spreken veroordeeling zal worden beperkt „tot eene veroordeeling voor zooveel de beneficiair aanvaarde nalatenschap zal blijken toereikend te zijn". — H. R. 22 April 1910, concl. conf.; W. 9022; P. v. J. 1910, 959; W. v. N. R. 2127; N. R. CCXIV, 498.

Art 1079.

658. Beneficiaire erfgenamen zijn niet verplicht om de contanten des boedels die voor de vereffening daarvan niet noodig zijn, rentegevend te beleggen. Wel zouden de belanghebbenden naar analogie van art 792 Rv. kunnen vorderen, dat de gereede gelden in de kas der gerechtelijke consignaties worden gestort. — Rechtb. 's-Gravenhage 25 Februari 1910; W. 8969 ; W. v. Not 243.

659. De erfgenamen, die eene nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard, zijn blijkens de artt 1079 en 1080 B. W. bevoegd de goederen, ook de gelegateerde goederen der nalatenschap, te verkoopen, ten einde den boedel tot effenheid te brengen. — Pres. Bes. Zutphen 15 December 1911 ; W. 9309; VV. v. N. R. 2217; W. v. Not. 360.

Sluiten