Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aandeelhouders, die tot de totstandkoming dier besluiten hebben medegewerkt, wanneer die totstandkoming niet overeenkomstig de statuten heeft plaats gehad. Hierbij kan geen verschil worden gemaakt tusschen overtreding van formeele en andere voorschriften der statuten. — H. R. 28 April 1913, concl. conf.; W. 9500; W. v. N. R. 2275. (Vgl. aanteek. van mr. J. VVolterbeek Muller onder het arr. in W. 9500.)

Art. 1375.

914. Wie een filiaalhouder aanstelt, is niet alleen tot betaling van loon en provisie verplicht, maar ook volgens gebruik en goede trouw om dezen in de gelegenheid te stellen in zijne betrekking werkzaam te zijn. — Rechtb. Amsterdam 18 December 1908; W. 8940.

915. Aan een gebruik in belangrijke mate in strijd met een wettelijk voorschrift kan geen recht worden ontleend. Hierin kan geen verandering worden gebracht door een beroep op art 1375 B. W., daar in dat artikel wordt gesproken van wat door de billijkheid en het gebruik naar den aard der overeenkomst wordt gevorderd en hieronder valt niet een gebruik in strijd met een wetsartikel, dat regelt wat volgens de wet de aard der overeenkomst medebrengt. — Hof 's-Gravenhage 10 October 1913; W. 9606; W. v. N. R. 2287.

916. Prof. mr. J. F. Houwing. Wet en gewoonte naar art. 1375 en naar art. 1383 B. W. (Naar aanleiding van laatstgemeld arr. H. R.'s-Gravenhage.)—W. v. N. R. 2316, 2317, 2318, 2319.

Art, 1377.

917. De actie van art. 1377 B. W. komt slechts toe aan derde schuldeischers,

dus niet aan houders van gewone en oprichters-aandeelen in eene naamlooze vennootschap ten aanzien der verdeeling der baten daarvan ; zij zijn geen schuldeischers van, maar niet anders dan deelgenooten in den onverdeelden vennootschappelijken boedel. — Rechtb. Amsterdam 19 Maart 1913; W. v. N. R. 2274.

Art. 1378.

918. K. Jansma. Uitlegging van Overeenkomsten — Ac. Pr. Amsterdam 1913. Beoord. door v. S. in W. v N. R. 2287 ; door mr. F. Koksma in W. 9567.

Naar aanleiding der laatste beoordeeling mr. Jansma in W. 9570 en mr. Koksma in W. 9572.

919. Krachtens art. 1378 B. W. is het den Nederlandschen rechter verboden om, indien de bewoordingen eener overeenkomst duidelijk zijn, aan die overeenkomst op grond van de vermeende bedoelingen van partijen eene uitlegging te geven, niet in overeenstemming met de duidelijke bewoordingen der overeenkomst. — Hof Amsterdam 14 Juni 1912; W. v. N. R. 2241.

Art. 1379.

920. De rechter mag volgens art. 1379 B. W. bij de uitlegging eener overeenkomst slechts dan afwijken van den letterlijken zin der woorden, waarin die overeenkomst is vervat, wanneer de te verklaren uitdrukking vatbaar is voor eene uitlegging met de bedoeling van partijen overeenkomende. — H. R. 7 April 1911, concl. contr.; W. 9176; N. R. CCXVII, 378.

921. De rechter behoeft bij toepassing van art. 1379 B. W. niet met zooveel woorden te zeggen, dat hij de bewoordingen eener overeenkomst niet duidelijk

Sluiten