Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijnen verkooper op het merk, en — wanneer hij tot dat onderzoek niet in

staat is of hem dit geen zekerheid geeft — zich in elk geval te onthouden van verderen verkoop onder dat merk; verkoopt hij toch, dan heeft hij het risico te dragen, dat hij daardoor het recht van een ander schendt. — Rechtb. Amsterdam 6 Maart 1908; N. M. v. H. XX, 165.

951. Door het plaatsen van advertentiën, houdende, dat bij den plaatserder advertentiën waren verkrijgbaar zijn van een merk als — of in hoofdzaak gelijk aan — dat, waarop een ander recht heeft, wordt des laatsten merkenrecht geschonden. — Hof 's-Gravenhage 9 Februari 1912; W. 9292.

952. Iemand, die onbevoegdelijk met een ander eene overeenkomst aangaat, als ware hij de gemachtigde van een derde, is gehouden dien ander alle kosten, schaden en interessen door dat optreden veroorzaakt, te vergoeden. — Rechtb. 's-Gravenhage 30 Maart 1911; W. 9296.

953. Wie onrechtmatige daden pleegt is ook dan daarvoor verantwoordelijk, wanneer een ander hem daartoe last

heeft gegeven ; die last zonder meer heft de aansprakelijkheid van hem, die de handelingen heeft verricht, niet op. — Hof Amsterdam 27 November 1911 ; W. 9388.

954. De verplichting om schade te vergoeden, toegebracht door eene onrechtmatige daad, is niet afhankelijk gesteld van de wetenschap bij den dader, dat hij door zijn daad eens anders recht schendt. — Rechtb. Dordrecht 20 September 1905; W. 8946.

955. De inschrijving eener niet rechts¬

geldig tot stand gekomen hypotheek is eene onrechtmatige daad. — Rechtb. Zutphen 25 Juni 1908; W. 8999; W. v. Not. 273.

956. Er is eene onrechtmatige daad wanneer een waterschapsbestuur ten laste zijner ingelanden, water aftapt uit eene rivier, die staat onder het beheer van een heemraadschap, zonder welks vergunning geen water uit die rivier mag worden afgetapt, hoe of door wien dan ook. — Hof 's-Hertogenbosch 21 September 1909; W. 8960.

957. Voor de aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad (in dit geval schending van merkenrecht) is geen opzet noodig, schuld is voldoende; voor het ontstaan dier aansprakelijkheid is geene ingebrekestelling noodig. — Rechtb. Amsterdam 18 December 1909 ; W. 9091; N. M. v. H. XX, 308; Lutt. 1911, 259. (Zie nos. 876—878 Deel III.)

958. Ook de wegens onrechtmatige daad veroorzaakte indirecte schade, welke mogelijk te voorzien was, behoort door den pleger der onrechtmatige daad te worden vergoed. — Hof 's-Gravenhage 20 December 1909; W. 8973.

959. Een bijzonder persoon, die voor een ander het gebruik van den openbaren weg belemmert, handelt onrechtmatig in den zin van art. 1401 B. W. — Hof Arnhem 6 April 1910 ; W. 9120; W. v. N. R. 2180.

960. Het rijden met een automobiel met zoodanige snelheid, dat daardoor gevaar voor de veiligheid van het verkeer wordt veroorzaakt, brengt mede schuld aan de alsdan veroorzaakte ongelukken, dus aansprakelijkheid volgens artt. 1401 en 1402 B. W. — Rechtb. Tiel 24 Juni 1910; W. 9071.

Sluiten