Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

961. Het publiceeren van een aan een ander gerichten brief zonder toestemming te hebben verkregen van den geadresseerde levert op eene onrechtmatige daad. — Rechtb. Amsterdam 14 October 1910; W. 9201.

962. De kooper van een stuk grond heeft daarop geen recht zoolang die grond hem niet is geleverd door de overschrijving der koopakte; hij heeft dus vóór die overschrijving geen recht op dien grond een paal te plaatsen en kan er dus ook niet over klagen, dat jegens hem een onrechtmatige daad wordt gepleegd door het amoveeren van dien paal zonder hem te beschadigen. — Rechtb. Almelo 30 November 1910; W. 9106.

963. Het trekken van een kies door iemand, daartoe niet bevoegd, is tegenover den persoon, wien de kies getrokken wordt, eene onrechtmatige daad, waarvoor schadevergoeding verschuldigd zal zijn, wanneer het op niet behoorlijke of onhandige wijze geschiedt en daardoor nadeel wordt toegebracht. — Rechtb. Rotterdam 5 December 1910; W. 9165.

964. Waar de wet erkent het optreden van rechtspersonen in het burgerlijk recht en deze niet anders dan door natuurlijke personen aan het rechtsleven kunnen deelnemen, vloeit hieruit noodzakelijk voort, dat voorzoover hij, door wien de rechtspersoon handelend optreedt, blijft binnen den formeelen kring van zijne bevoegdheid, ook de wil, evenals de daaruit geboren handeling van den vertegenwoordiger geldt als die van den rechtspersoon zeiven. Dit beginsel laat niet toe hiervan af te wijken ten opzichte van onrechtmatige handelingen (beleedigingen), mits ook hierbij wordt vastgehouden aan den reeds boven gestelden eisch, dat die handelingen vallen

binnen den formeelen kring van de bevoegdheid van den handelende. — H. R. 9 December 1910, concl. conf.; W. 9112; N. R. CCXVI, 227.

In denzelfden zin Rechtb. Amsterdam 19 Februari 1912; W. v. N. R, 2215. (Zie no. 879 Deel III.)

965. De vraag of eene rechtsvordering gegrond is of niet, moet oplossing vinden in het geding, dat over die vorde ring aanhangig is gemaakt; men heeft het recht dit geding tot in de hoogste instantie voort te zetten, doch geenerlei wetsbepaling geeft recht om de schade, die men als partij terecht of ten onrechte door een geding leed, te verhalen op zijne tegenpartij, door hem in een geheel ander geding in rechten te betrekken en voor schadevergoeding aan te spreken, enkel op grond, dat hij zich onderwond het vorig geding te beginnen. — Rechtb. Zutfen 9 Maart 1911; W. 9193; W. v. Not. 324.

966. Iemand, die beweert als huurder door den verhuurder onrechtmatig uit een huis te zijn gezet, kan schadevergoeding vragen ter zake van de nietnakoming van het huurcontract, maar is niet ontvankelijk in zijne vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. — Rechtb. Arnhem 14 September 1911; W. 9357. (Zie nos. 855—863 Deel III.)

967. Een daartoe strekkend dictum van een vonnis in kort geding maakt de opruiming van een hekwerk wel formeel geoorloofd, maar neemt niet weg, dat zij het eigendomsrecht van dat hekwerk onrechtmatig kan aantasten en dus eene vordering uit onrechtmatige daad kan rechtvaardigen. — Hof Afnhem 13 Februari 1912; W. 9326.

968. Blijkens de bepaling van art. 1401

Sluiten