Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. W. moet blijkens de woorden „naar gelang der omstandigheden" niet aan het strenge recht worden getoetst. —

Hof Arnhem 20 Juli 1910; W. 9130.

1201. De in art. 1625 B. W. den huurder van landerijen opgelegde verplichting om deze van de noodzakelijke beesten en bouwgereedschappen te voorzien, heeft niet uitsluitend ten doel om den verhuurder een onderpand te verzekeren, maar ook om eene deugdelijke bebouwing en gebruik mogelijk temaken. — Pres. Bes. Utrecht 23 November 1910; W. 9180; W. v. Not. 313.

In gelijken zin Hof Amsterdam 10 Februari 1911; W. 9180 ; W. v. Not. 313.

1202. De bepaling van art. 1625 B. W. moet aldus worden verstaan, dat de rechter in ieder geval zal hebben te onderzoeken of de omstandigheden het stellen der ontbindingsactie billijken, d. w. z. of de gestelde handelingen en verzuimen, de omstandigheden in aanmerking genomen, van genoegzaam gewicht zijn om het instellen van die vordering te rechtvaardigen. — Rechtb. Utrecht 16 December 1911; VV. v. N. R. 2200.

Art. 1628.

1203. Ontwerp van wet tot wijziging van de artt. 1628, 1629 en 1630 van het Burgerlijk Wetboek en tot intrekking van de artt. 1631 en 1632 van dit Wet. boek, ingediend door de socialistische fractie in de Tweede Kamer der StatenGeneraal.

Ontwerp van wet. — W. v. N. R. 2207.

Memorie van Toelichting. — W. v. N. R. 2207.

1204. G. Vlug. Pachtcontract. (Beoordeeling van gemeld ontwerp van wet.) — W. v. Not. 342.

Art. 1633.

1205. Mr. J. F. van Deinse. Afwisselende zaaibeurten. — Them. 1912, 440.

1206. Art. 1633 B. W. heeft geenszins alleen het oog op hoeven of voor het landbouwbedrijf gebezigde gronden, maar spreekt in geheel algemeenen zin van landen, zonder onderscheid te maken of die landen of landerijen al dan niet behooren bij eene woning, een hoeve of een landbouwbedrijf. Als landen in den zin van dat artikel zijn dan ook te beschouwen gronden bij een arbeiderswoning verhuurd met de bestemming om er aardappelen en groenten enz. voor huiselijk gebruik en winterprovisie op te kweeken. — Rechtb. Breda 7 December 1909; W. 9295. (Zie nos. 2285 en 2286 Deel III.)

1207. Art. 1633 B. W. regelt wel de duur der huur van „landen", maar bepaalt niets omtrent het tijdstip, waarop de huur eindigt. — Rechtb. Breda 7 December 1909; W. 9295.

1208. De rechter moet aannemen, dat in art. 1633 B. W. met de uitdrukking „welke bij afwisselende zaaibeurten bebouwd worden", bedoeld is, dat al het land door den huurder bebouwd wordt met afwisseling van vruchten naar een bepaalde volgorde, en niet eene wijze van bebouwing, waarbij ieder jaar een gedeelte van het land blijft braak liggen. Hierin kan geen verandering worden gebracht doordat de laatst aangeduide opvatting der wet geschiedkundig juist te achten is, daar met terzijdestelling van de bedoeling des wetgevers aan deze wetsbepaling zoodanige toepassing moet worden gegeven, die, zonder in strijd te zijn met haar woorden, het meest overeenkomt met de thans op bouwgronden meest gebruikelijke wijze van bebouwing.

Sluiten