Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is om zijn reiziger de noodige bewijsstukken mede te deelen, welke voor deze noodig zijn om tot de kennis van zijn loon te komen, voldoet niet aan zijne verplichting wanneer hij een boek, waarin copie-orders zijn geplakt, vertoont, doch dient zijn dagboek, waarop iedere boekhouding althans dient te berusten, over te leggen. — Kantong. Amsterdam 11 Maart 1913; R. B. A. V, 5 en 6.

1280. Ook buiten het geval van art. 1638e B. W. kan een werknemer, wiens loon ten deele bestaat uit een aandeel in de door den werkgever behaalde winst, de juistheid van het door hem gestelde bedrag trachten te bewijzen, door ex art. 12K. overlegging van de boeken van den werkgever te vorderen. — Rechtb. Rotterdam 13 Januari 1913; R. B. A. IV, 23 en 24.

1281. De arbeider, die recht heeftop mededeeling van bewijsstukken, waaruit het door hem verdiende loon kan blijken, is niet-ontvankelijk in zijne vordering tot afgifte van een door den werkgever voor copie conform geteekend afschrift van de balans en de winst- en verliesrekening. Wel echter heeft hij recht om inzage te nemen van die stukken, met gelegenheid daarvan afschriften te maken. — Kantong. Amsterdam 28 Juli-1913: R. B. A. V, 5 en 6.

Art. 16380.

1282. Toepassing van art. 1638g> B. W. (beslag op loon) en 1638r B. W. (schuldvergelijking met loon) mag niet naast elkander plaats hebben, indien daardoor het aan den arbeider uit te betalen bedrag zou worden teruggebracht beneden het laagste der in die artikelen bedoelde minima. — Rechtb. Rotterdam 28 November 1910; W. 9114.

1283. Wanneer op het arbeidsloon tegelijkertijd beslag is gelegd èn voor eene vordering tot betaling van levensonderhoud, die minder bedraagt dan het deel van het loon, dat voor andere vorderingen niet in beslag genomen mag worden, èn voor eene andere vordering, dan moet de laatste vordering verhaald worden op het deel van het loon, dat in het algemeen niet voor beslag vatbaar is. — Rechtb. Amsterdam 17 Maart 1911; R. B. A. III, 20 en 21.

Art. 1638L

1284. In een der gemeenten, bedoeld in art. 1638/i B. W., is de werkgever gerechtigd den arbeider zijn loon, deels in franken, deels in marken uit te betalen, en daarbij de mark te stellen op 60 cent, wanneer dit in die gemeente de gewone wijze van berekening der mark is. - Kantong. Maastricht 16 Februari 1912; R. B. A. VI, 13 en 14.

Art. 1638/4.

1285. Art. 1638n B. W. belet niet dat bij overeenkomst worde bepaald dat verdiende provisie slechts eens in het jaar worde uitbetaald. — Kantong. Amsterdam 6 Februari 1912; R B. A. 111,22.

1286. Wanneer tusschen een handelsreiziger en zijn patroon is overeengekomen, dat bij het eindigen der overeenkomst door opzegging, provisie der geleverde posten tot den dag van vertrek uitgekeerd zal worden, dan heeft de handelsreiziger geen recht op provisie voor posten door zijne bemiddeling afgesloten, maar eerst na zijn vertrek afgeleverd. Zoo'n beding is niet in strijd met de goede zeden of de openbare orde. — Kantong. Amsterdam 16 April 1912; R. B. A. IV, 9 en 10.

Sluiten