Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1400. Er kan worden toegegeven, dat het bij herhaling een kwartier of een half uur te laat komen van een werkman op het bedrijf eenigszins storend kan werken en zeer zeker daardoor een slecht voorbeeld gegeven wordt aan de medearbeiders, maar zulks is toch niet een feit van zoo ernstigen aard, dat de werkgever zich ontslagen zou mogen rekenen den opzeggingstermijn in acht te nemen, zulks te meer, waar de termijn van opzegging slechts een week is en de arbeider reeds drie jaar in des werkgevers dienst is werkzaam geweest. — Kan tong. Amsterdam 25 September 1911; R. B.

A. III, 15.

1401. Schoon in liet algemeen de weigering van oen werknemer om nieuwe door den werkgever vastgestelde arbeidsvoorwaarden te teekenen geen dringende reden tot onmiddellijk ontslag kan zijn, zoo zal dit toch wel het geval zijn, wanneer de werknemer die voorwaarden had aangenomen en zich had verbonden ze te onderteekenen. — Kantong. 's Gravenhage 15 Januari 1912; W. 9265.

1402. Gebrek aan werk bij den werkgever is geene dringende reden tot ontijdige opzegging der arbeidsovereenkomst. — H. R. 24 Mei 1912, concl. conf.; W. 9384; W. v. N. R. 2242; R. B. A. III, 26.

Cassatie Kantong. Amsterdam 29 Februari 1912; R. B. A. III, 24 en 25. (Zie no. 2449 Deel III.)

1403. Het feit, dat een arbeider wegens ziekte een dag verzuimt en van die ziekte den werkgever geen bericht geeft, is voor dezen geen dringende reden tot onmiddellijke dienstbeëindiging. — Kantong. Amsterdam 7 Februari 1912; R.

B. A. IV, 13 en 14.

1404. Wanneer een reiziger, die met

een opzeggingstermijn van zes weken is opgezegd, onder gebruikmaking van den naam van zijn werkgever dezen concurrentie aandoet, daarbij aan de clientèle en leveranciers van zijn werkgever een circulaire zendt, waarin een onjuiste en voor dezen nadeelige opinie werd gevestigd, is de werkgever gerechtigd, onmiddellijk zonder schadevergoeding de dienstbetrekking te doen eindigen. — Kantong. Amsterdam 26 Maart 1912; R. B. A. IV, 7 en 8.

1405. De bewering, dat de werknemer „ontvangen geld niet had afgedragen" is te vaag en onbepaald om als eene dringende reden tot ontslag te kunnen worden aangemerkt. — Kantong. Amsterdam 16 April 1912; R. B. A. IV, 3.

1406. Een opzettelijk gedurende meerdere dagen niet voldoen door een reiziger aan zijne verplichting om dagelijks verslag uit te brengen van zijne verrichtingen, gevoegd bij het optreden voor een andere firma, die een gelijksoortigen handel drijft, een en ander in strijd met wat uitdrukkelijk bij de betrokken overeenkomst werd bedongen, levert op een dringende reden als bedoeld in de artt. 1639o en j) B. W. — Reclitb. Breda 24 April 1912; R. B. A. IV, 1 en 2.

1407. Het is een dringende reden voor onmiddellijk ontslag, wanneer iemand, die zich in dienst laat nemen als „bureauchef", blijkt voor die betrekking totaal ongeschikt te zijn. — Kantong. Amsterdam 14 Mei 1912; R. B. A. IV, 11 en 12.

1408. Weigering van werkzaamheden waarvoor een werknemer niet is aangesteld, is geen dringende reden tot ontslag. Mitsdien is onrechtmatig het zonder inachtneming van den opzeggingstermijn aan een electrotechnicus gegeven ontslag

Sluiten