Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet worden, dan de belastingen opbrengen, moet de regeering geld leenen. Zij leent het dan van menschen, die het bezitten. Dat gebeurt tegenwoordig, dat gebeurde vroeger ook reeds. Van het geleende geld werd jaarlijks rente betaald, b.v. van elke f 100 vier en een halve gulden. Iemand, die dus ƒ20.000 aan de regeering geleend had, ontving ieder jaar 200 X ƒ41/,, = ƒ900 aan rente. Nu bepaalde Napoleon, dat van de rente voortaan maar het derde gedeelte zou worden uitbetaald. Duizenden menschen, die geheel of gedeeltelijk van hun renten moesten leven, geraakten door Napoleons besluit in armoede.

Overal in het land, in steden en dorpen, was achteruitgang en verarming merkbaar. In de groote plaatsen stonden honderden huizen leeg of werden gesloopt. De rijken schaften hun paarden en rijtuigen af en verkochten hun fraaie buitenplaatsen. Daar ze zuiniger moesten leven, kochten ze alleen maar, wat ze volstrekt noodig hadden. Minder gegoede burgers konden zelfs dat noodige maar nauwelijks bekomen. De winkeliers hadden daardoor geen nering, de handwerkslieden geen werk. De boeren konden geen geld besteden, om hun land goed te laten bewerken. De dijken langs de rivieren werden slecht onderhouden. Het was een treurige tijd voor ons land.

Bij de algemeene armoede kwam nog groote droefheid in de huizen van hen, wier zoons soldaat moesten worden. Je weet nog wel, dat koning Lodewijk geweigerd had, de loting in te voeren. Maar nu Nederland onder Napoleons bestuur stond, moesten alle jonge mannen loten en slechts een enkele trok zich vrij. Want de Keizer had voor zijn aanhoudende oorlogen telkens meer soldaten noodig. Duizenden jongelingen moesten uittrekken, om in de Fransche legers te dienen. Hoe jammerden de arme

Sluiten