Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog niet lang waren de beide landen vereenigd, of een groot deel der Zuid-Nederlanders was ontevreden met het bestuur van koning Willem I. Dat kwam niet, doordat de Koning geen goed vorst voor ben was. Hij deed, zooveel hij kon, om ook het Zuiden van het rijk vooruit te helpen. Dat ondervonden b.v. de bewoners van de stad Seraing, waar door des Konings bemoeiing een fabriek voor machines tot stand kwam. De Zuid-Nederlanders meenden evenwel, dat het Noorden boven hen bevoorrecht werd. Zoo vonden ze het onbillijk, dat bij het leger de meeste officieren Noord-Nederlanders waren. Ze namen het erg kwalijk, dat alle gedrukte stukken, die van de Regeering kwamen, in de Hollandsche taal gesteld waren, daar in een groot deel van Zuid-Nederland Fransch gespróken werd. Ze waren ontevreden over het betalen van belasting voor het malen van graan en het slachten van vee. Er waren nog veel meer dingen, die hun niet naar den zin waren, maar daarvan hoor je later wel eens.

De ontevredenheid werd voortdurend grooter. Eindelijk brak in Brussel, de hoofdstad van Zuid-Nederland, de opstand uit. Het was de 25ste Augustus 1830. Schreeuwende trok het volk door de straten, bedreef allerlei baldadigheden en stak het huis van een van 's Konings raadslieden in brand. Binnen korten tijd ging het in andere steden evenals in Brussel. Ook daar kwam het volk in verzet tegen de Regeering. In het begin wilde de Koning geen geweld gebruiken; hij hoopte met zachtheid den opstand tot bedaren te krijgen.

Spoedig echter zag hij in, dat dit niet meer mogelijk was. In het najaar van 1830 riep hij het volk van NoordNederland te wapen. Bij duizenden kwamen toen vrijwillig de jonge mannen op, om in het leger te gaan

Sluiten