Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. In het begin van den Graventijd.

(Elfde en twaalfde eeuw.)

Zoo noemt men wel den tijd, toen de graven geen keizerlijke ambtenaren meer waren, maar kleine vorsten. Als vorsten — ja, zoo gedroegen ze zich. Om hun opperheer, den Duitschen keizer, bekommerden ze zich heel weinig. Onder elkaar voerden ze heel dikwijls oorlog. Als ze hun land wilden vergrooten, riepen ze hun volk te wapen en vielen hun buurman aan, om dien een deel van zijn grondgebied te ontnemen. Zoo hebben de graven van Holland meer dan eens oorlog gevoerd tegen de Friezen, tegen de bisschoppen van Utrecht en de graven van Vlaanderen.

Over al die oorlogen echter willen we nu niet spreken. In plaats daarvan willen we in gedachten een tocht door een graafschap maken, om de bevolking er van te leeren kennen.

Wat groot en forsch gebouw verrijst daar al spoedig voor onze oogen? Dat is een kasteel, de woning van een edelman. Als we er dichterbij komen, zien we, dat het niet gemakkelijk valt, er binnen te dringen, als de eigenaar het niet hebben wil. Een breede gracht omringt het en aan den binnenkant daarvan staat een omheining van zware, gepunte palen. Wel ligt er over de gracht een houten brug, maar deze kan gemakkelijk worden weggenomen. Wat zijn de muren van dat kasteel dik, wat zijn die getraliede vensters klein en wat moet die met ijzer beslagen deur sterk zijn! Ja, het heele gebouw is er op ingericht, dat de eigenaar zich verdedigen kan, als hij door een anderen edelman wordt

Sluiten