Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie wilde Jezus verdedigen en wien wondde hij ?

Waar bleven de discipelen?

Tekst: Josaja 53 : 5.

Leeren: Psalm 25:8; Gezang 119:4.

Les 25. Jezus voor Annas en Kajafas.

Mattheus 26 : 57—75; Marcus 14 : 53—72; Lucas 22 : 54—71;

Johannes 18 : 12—27.

De bende, welke Jezus gevangen genomen had, leidde hem naar Annas, den schoonvader van den hoogepriester Kajafas. Daar ondervroeg de Hoogepriester Jezus over zijne discipelen en zijne leer; maar, de Heere antwoordde, dat hij steeds in het openbaar had geleerd en dat de Hoogepriester dus hen ondervragen moest, die hem hadden gehoord. Een der dienstknechten vond dit antwoord ongepast en gaf hem daarom een slag in het aangezicht. Dit was het begin van de vernedering en marteling, welke den Heere wachtten.

Na dit Verhoor werd Jezus naar de vergaderzaal gebracht waaide joodsche Raad was samengekomen. Daar trachtte men nu eene beschuldiging tegen hem te vinden; maar, de valsche getuigen, die optraden, spraken elkander tegen. Eindelijk echter kwamen er 2, die zeiden, dat Jezus gezegd had: „Ik kan den Tempel Gods afbreken en in 3 dagen denzelven opbouwen." Zoo had Jezus echter niet gesproken. Bovendien had hij in het woord, waaraan zij dachten, niet gedoeld op den Jerusalemschen tempel, maar op zijn lichaam. En, de hoogepriester opstaande, zeide tot hem: „Antwoordt gij niets? Wat getuigen dezen tegen u?" Doch Jezus zweeg stil. Toen zeide de hoogepriester: „Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij zijt de Christus, de Zone Gods?" Hierop antwoordde de Heere bevestigend. Nu deed Kajafas alsof hij verontwaardigd was, scheurde zijne kleederen en sprak: „Wat hebb'en wij nog getuigen van noode? Gij hebt zijne godslastering gehoord; waf dunkt ulieden ? En zij riepen

Sluiten