Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Les 5. Jezus' doop en verzoeking.

Mattheus 3 :1—4 : 11.

Toen Jezus 30 jaar oud was trad hij openlijk op als de door God gezonden Verlosser. Johannes de Dooper was toen nog werkzaam bij den Jordaan en de eerste daad des Heilands was naar Johannes te gaan om door hem te worden gedoopt.

Toen de Heere dit begeerde weigerde Johannes eerst en zeide: „Mij is noodig van U gedoopt te worden." Want hij gevoelde, dat Jezus ver boven hem stond en bovendien meende hij, dat voor den zondeloozen Jezus de Doop der bekeering niet noodig was. De Heere Jezus echter bleef aanhouden en Johannes doopte hem. Toen nu de Heere uit het water opklom, werden de hemelen geopend en zag Johannes den Heiligen Geest nederdalen gelijk eene duif en op Jezus komen. Eu eene stem uit de hemelen sprak: „Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in welken Ik mijn welbehagen heb."

Nadat Jezus gedoopt was werd Hij door den H. Geest weggeleid in de woestijn. In de eenzaamheid, biddend en vastend, bereidde Hij zich voor het werk, dat Hem wachtte. Als Hij daar 40 dagen en nachten had vertoefd, hongerde Hem ten laatste. Toen kwam de duivel tot Hem en verzocht hem, zeggende: „Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen brooden worden." Maar de Heere Jezus antwoordde: „Daar is geschreven: De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat." Daarop nam de duivel hem mede naar Jerusalem en stelde hem op de tinne des tempels en zeide: „Indien gij Gods Zoon zijt, werp u zeiven nederwaarts; want daar is geschreven, dat Hij zijnen engelen van u bevelen zal en dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steen stoot." Maar Jezus zeide:

Sluiten