Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar Jezus zeide: „Staat op; vreest niet." En hunne oogen opheffend zagen zij niemand dan Jezus alleen. — Toen zij nu van den berg afkwamen, kwam tot Jezus een vader met zijn van den duivel bezeten zoon, welken de discipelen niet hadden kunnen genezen. Hierover bestrafte Jezus hen, want ware hun geloof sterker geweest, dan zouden zij het hebben gekund. Daarna genas hij den kranke.

Toen ging Jezus naar Jeruzalem om het Loofhuttenfeest te vieren. Hij reisde daartoe door Samaria. Eens weigerde men hem daar nachtverblijf. Jacobus en Johannes wilden toen, dat vuur zou nederdalen en die menschen dooden. Maar Jezus bestrafte hen en zeide: „De Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar te behouden."

Ook genas Jezus op deze reis 10 melaatschen. Zoo ondankbaar waren dezen, dat slechts éen en nog wel een Samaritaan Jezus bedankte. Dit bedroefde den Heere.

Waarom volgde velen Jezus en waar en waarom verlieten zij hem?

Wat vroeg Jezus hierop aan de discipelen?

Wat zeide toen Petrus uit aller naam?

Naar aanleiding waarvan heeft Petrus deze belijdenis nog eens herhaald ?

Wat zeide Jezus na Petrus' belijdenis?

Wat voorspelde Jezus aan zijne discipelen ?

Wie nam Jezus met zich op een berg en wat gebeurde daar?

Wat vond er plaats toen zij van den berg afkwamen?

Wat overkwam den Heere in Samaria?

Wat wilden Petrus en Johannes dat toen zou gebeuren en wat zeide Jezus?

Wie genas Jezus op deze reis en waren de genezenen dankbaar?

Tekst: Mattheus 10:32, 33.

Leeren: Psalm 25:2; Gezang 38:6.

Sluiten