Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de droge halmen misleid, met afgestorven planten meenen te doen te hebben en zich verwijderen, dus het aardappelloof met rust laten.

Eerst wanneer het plantsoen ongeveer eene maand oud is en de bladeren een gelijkmatig donkergroen aanzien hebben aangenomen, wordt er gewied. Tien dagen of twee weken later wordt dit herhaald. Het uitgetrokken onkruid laat men een of twee dagen liggen tot het zoo al niet droog geworden dan toch goed verwelkt is. Dan wordt de grond tusschen de plantrijen met een schoffel losgemaakt en met het wiedsel aangewend, om de plantrijen wat aan te hoogen, waardoor deze het aanzien verkrijgen van bedden.

Op den leeftijd van 10 of 12 weken begint het loof te verwelken, eerst de onderste, gaandeweg ook de bovenste bladeren, vervolgens de stengeldeelen. Dan heeft de aanplanting haren vollen wasdom bereikt; doch wordt er gewoonlijk met den oogst nog eene week tot tien dagen gewacht, totdat het geheele plantsoen egaal droog is en een donkerbruin min of meer verschroeid aanzien bekomen heeft.

Op tëgalgronden wordt nagenoeg dezelfde cultuurwijze gevolgd. Ook hier wordt de grond eens of meermalen omgespit en het plantsoen twee keer gewied. Maar terwijl men op sawahs de plantrijen kort na het uitpoten met padistroo bedekt, wordt dit ten aanzien van de tëgalaanplantingen nagelaten.

Op minder losse gronden bedient men zich bij het rooien van een ijzeren schoffel met gekromden steel, anders trekt men de plant eenvoudig uit en worden de van de fijnere wortels afgebroken knollen met de vingers of een bamboelat uit den grond gewerkt.

Naar de grootte worden de knollen in twee of drie soorten gesorteerd, de grootste zijn de meest waardevolle en worden evenals de middelmatig groote aan opkoopers verkocht, die ze naar de vlakte en de hoofdplaatsen tot zelfs naar de havenplaatsen atvoeren, waar zij aan Europeanen, Chineezen, zelfs aan mail- en kustbooten worden verhandeld.

De inlandsche bevolking gebruikt zelf geen of zeer weinig

Sluiten