Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. hiri, dengki, djahil hebben dezelfde of nagenoeg gelijke beteekenis, maar, in toespraken en vooral tot hoogere wezens bedient men zich gaarne van pleonasmen, zooals trouwens de geheele djampe eigenlijk daarvan eene aaneenschakeling is. Hiri en dengki worden ook in eene samentrekking gebezigd tot hiridengki. De geciteerde woorden beteekenen valsch, onoprecht, huichelachtig, afgunstig, gluipig.

d. In de spreektaal zegt men evenzeer kainja als kadinja.

e. Eigenlijk wordt hier bedoeld: dat er ook aan de kin eene verzwering zichtbaar zij."

f. lantajan — drooglijn Met taradje ëmas ngalantajan wordt bedoeld een gouden ladder — ofschoon eene drooglijn toch niet zoo lang is — van onnoemelijke lengte, lang genoeg, om tot aan de r awang-awang" te reiken, waar Nji Sri verondersteld wordt te zetelen. Langs dien gonden ladder verwacht men, dat de godin uit het hooge luchtruim zal afdalen, om over het uitgezaaide te waken.

Gewoonlijk den dag voordat men ze uitplant, worden de zaailingen uit de kweekbedden getrokken, aan bosjes gebonden en, na getopt te zijn, naar het plantveld overgebracht, waar zij hier en daar over de verschillende sawahvakken worden verdeeld tot hoeveelheden, als men naar schatting meent noodig te hebben, om er het plantveld mede vol te planten.

Niwoek boemi, noelak lemah, s" aldus spreekt de doekoennoeroenan, terwijl hij een bosje zaailingen in de hand neemt en dit bewierookt, (sommigen doen dit boven een smeulend en met wierook bestrooid bosje padistroo, anderen weêr boven een tjèwo — een aarden bordje, speciaal om er wierook in te branden) „Ba jou li. anoe matak woewoeh, sabda anoe matakbërkat, i. Datoellahdatinoiman, Datoellahdatinoiman !"

Meteen steekt de doekoen het bosje zaailingen in den grond, soms onmiddellijk naast de galengan, soms ook wel in het midden van het sawahvak, waar de formaliteit geschiedt. Ylak nabij de zaailingen bekomt het brandende stroo of de tjëwo met wierook een plaatsje en daarnaast een stek van handjoewang of selang dan wel bingbinj. Soms wordt er ook nog een jonge spruit van tjaoemanggala benevens eene bamboesgeleding— van de soort tamijang — met wat bras er in op het gewijde plekje in den grond gestoken.

Akarna noe djadi akar," zoo vervolgt de doekoen, tangkalna noe djadi „badan; saloempitna noe djadi samping j boekoena noe djadi roewasj pavnonholangna k. noe djadi pawasan!

De eerste zinsnede bevat eene toespraak tot de machten, die over het te planten gewas heerschen. Zij beduidt ongeveer het navolgende:

Met de bede, dat alles weggevaagd en voorkomen worde, wat mijn' akker)

Sluiten