Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegelijk [horëng] opvliegen. Anderen beweren, dat de benaming eene klanknabootsing is van het gonzend geluid (bërëng), hetwelk de beestjes in hunne vlucht veroorzaken.

Het eenige bij den landbouwer bekende middel tegen deze plaag is berooken (dirawoen). Daartoe wordt hier en daar op de sawahdijkjes een smeulend vuur aangelegd. Men doet dit liefst tegen het vallen van den avond, omdat er dan doorgaans windstilte heerscht, de rook laag bij den grond blijft en zich gemakkelijk tusschen de padiplantjes verspreidt. Als brandstof bezigt men niet volkomen droge bladeren en wel van plantensoorten, die een kwalijk riekenden rook afgeven, gelijk o. m. de babadotan, (Ageratum ronyzoides L.) eene eenjarig door zijn snellen groei voor planters zeer lastig, doch goedaardig onkruid met vleezigen stengel en dat vooral op nieuwe ontginningen in het gebergte o. a. in jonge koffietuinen welig tiert; voorts de welbekende salijara of tjënte {Lantana camara L.); — in Midden- en Oost Java ook wel tëmbëlekan genoemd, gelijk velen beweren, naar de excrementen van pluimvee, waarnaar de rood en rose gekleurde bloempjes heeten te rieken.

28) Vooral de bladeren van walang [Donacades walang Bl.] zijn zeer gezocht, om te rawoen.

Komt de koengkang in grooten getale voor, dan laten de insecten zich vrij gemakkelijk afscheppen, vooral tegen het heetst van den dag, als wanneer zij, door de warmte bevangen, traag zijn.

In het Bandoengsche, maar ook hier en daar elders, worden als panjinglar of bezweermiddel op het veld bamboesstaken van 3 a 4 meter lengte in den grond gestoken, aan welker boveneinde plaggen van een soort watermos of kroost — djoekoet kantjil geheeten — zijn bevestigd en waartusschen stukken schaal van landkrabben [keujeup], met het doel, om — naar beweerd wordt — de vischlucht [banjir], aan de genoemde mossoort eigen, te verhoogen. Men zegt, dat de kuengkang slecht tegen zulk atmosfeer kan en de padi ongemoeid laat, of, waar zij reeds voorkomt, weldra het veld ruimt.

29) De meeste soendasche landbouwers plegen de h. koengkang in één adem te noemen met de h. ISmbing, waaraan zij gewoonlijk nog de h. bolokotondo toevoegen. Niet, omdat de insecten, die daaronder samengevat worden, zooveel onderlinge gelijkenis vertoonen, doch dewijl de beide laatstgenoemde, zij het in mindere mate, evenals de koengkang al mede een kwalijk riekend vocht afscheiden en hetzelfde kwaad aanrichten ; d. w. z. den nog vloeibaren inhoud van de jonge padivruchten opzuigen en voze aren veroorzaken.

De Vèmbing is groenachtig gekleurd; bij de wijfjes is de buikzijde wit gestreept [loerik bodas].

Meded. PI. LVIII. 7

Sluiten