Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bruin, op den rug nu eens lichter, dan weder donkerder, wat met leeftijd en geslacht in verband staat, en aan de buikzijde in het okerkleurige loopende. De kin en een langwerpige vlek terzijde van den hals zijn wit, evenzoo een gedeelte van den vleugelrand. De vleugellengte bedraagt 15 c.M., terwijl in onderscheiding van de andere Ardetta-soort, de schenen niet tot de geleding met het loopbeen bevederd zijn.

Deze kleine reiger komt zeer algemeen voor en is een der meest gewone sawahvogels.

Minder algemeen is de nog kleinere Ardetta sinensis, Gm. Bij deze soort is de bovenkop zwartachtig; de slagpennen van de eerste en de tweede orde en de staartveeren zijn op de bovenzijde zwart. De veeren van den bovenkop zijn verlengd en hangen over den nek af. De bovendeelen zijn voor het overige bruinachtig, de onderdeelen licht okerkleurig, naar de flanken in het roestkleurige trekkend. De kin is witachtig. Een deel van de vleugeldekveeren, vooral van die van de slagpennen van de tweede orde, is grijsachtig geel, welke kleur zich scherp afzet tegen het bruin van de randen der rugveeren. Vleugellengte 13,5 c.M.

Men ziet dezen reiger dikwijls na den oogst op de sawah's, waar hij rustig rondwandelt, maar bij nadering van menschen nieuwsgierig met langgerekten hals rondziet. Het komt mij voor, dat hij, minder dan andere reigers, de gewoonte heeft zijn kop tusschen de schouders terug te trekken. Als maaginhoud werden bij een, aan het zeestrand geschoten exemplaar garnalen en kleine weekdieren gevonden.

Een Roerdomp en een Nachtreiger sluiten de lange rij der Ardeidae van Java.

De eerste is Gorsachius melanolophus, Raffl., bij welken vogel een opmerkelijk groot verschil bestaat tusschen het vederkleed der volwassen en der jongere exemplaren, zelfs in die mate, dat ik beiden langen tijd voor verschillende diersoorten heb gehouden.

Bij volwassen dieren zijn de bovenkop en de verlengde achterhoofdsveeren zwart, met een grijsachtige tint. De zijden van het hoofd en de nek zijn licht kastanjebruin. De overige

Meded. D. v. L. VII. 4

Sluiten