Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts oneigenlijken zin zonde genoemd worden, omdat zij n. 1. uit de zonde van Adam voortkomt, en den mensch tot zonde bekoort •).

De erfzonde is ook niet — gelijk vroeger sommige katholieke schrijvers beweerden 2) — de persoonlijke zonde van Adam, die ons slechts uiterlijk toegerekend wordt. Was de erfzonde niets anders dan een uiterlijke toegerekende zonde, dan zou zij niet door de lichamelijke afstamming overgaan, niet voor eiken mensch een eigen, inwonende zonde zijn, niet door het Doopsel vergeven, weggenomen worden, maar enkel niet langer worden toegerekend. Maar dit alles is lijnrecht in strijd met de leer van de kerkvergadering van Trente 3). Hierbij komt nog de leer van den Apostel Paulus, dat de menschen door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch gemaakt zijn tot zondaren, gelijk zij door Christus gemaakt zijn tot rechtvaardigen 4). Welnu wij worden niet gerechtvaardigd door de uiterlijke toerekening van Christus' rechtvaardigheid, maar door de innerlijke genade, die in onze ziel woont. Wij moeten derhalve door de erfzonde ook zondaren zijn, niet door de uiterlijke toerekening van Adams zonde, maar door een innerlijke, eigen zonde, die in de ziel woont. In dien zin zegt de H. Anselmus: „De kinderen dragen niet de zonde van Adam, maar hun eigen zonde".

Wat is dan de erfzonde?

De erfzonde is niet — gelijk wij reeds gezien hebben — de persoonlijke zonde van Adam, niet de persoonlijke zonde der menschen in navolging van Adam bedreven, niet de dood, niet de booze begeerlijkheid of eenige andere straf der zonde, ook niet de zonde van Adam, ons uiterlijk toegerekend; maar zij is een ware zonde, die allen menschen eigen is, inwoont, alle menschen bevlekt, schuldig en strafwaardig maakt, haar oorsprong heeft in de vrije wetsovertreding van Adam, en door de lichamelijke afstamming van den eersten vader op alle menschen overgaat.

) Trid. sess. V, can. 5. Zoo noemt de H. Paulus haar dikwijls zonde (ad Rom. passim). 2) Ambrosius Catharinus, Albertus Pighius. 3) Sess. V, can. 3, 6. 4) Rom. V, 19.

II

2

Sluiten