Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Noë, Abraham, Isaac, Jacob, Job en zooveel anderen, opgeschrikt door de schaduwe des doods, die over het menschdom was neergestreken, zagen met brandend verlangen en onwrikbaar vertrouwen uit, om den dag van den Messias te zien aanbreken (Jo. VIII, 56); de Profeten zagen den Langverwachte reeds in den geest als een verfrisschenden dauw en vruchtbaren regen uit den hemel dalen (Is. XLV, 8), en Hem, bij het naderen van der tijden volheid, rijzen als de opgaande Zon, om te verlichten, die in duisternis en schaduw des doods gezeten zijn (Lc. I, 79).

Maar ook voor de heidenen bleef, na den ondergang van de Zon der Openbaring, nog een zwakke schemering lichten; een vage herinnering van Gods belofte, in velerlei verdichtselen gehuld, was in het hart der volken bewaard gebleven. Ook de verspreiding der Joden over veel landen was oorzaak, dat de heidenen de verwachtingen van Israël leerden kennen. Hij, die volgens het woord van den stervenden Jacob „het verlangen der eeuwige heuvelen', en „de verwachting der volkeren" is, Gen. XLIX, werd ook door de zieltogende, heidensche wereld als Redder opgewacht" *). „Zoo moest — zegt de H. Thomas — de mensch in het bewustzijn zijner zwakheid tot den Geneesheer roepen".

„Het betaamde niet, dat God aanstonds na den zondeval zou mensch worden" — zoo vervolgt de H. Thomas — 2°. om de orde van den vooruitgang in het goede, die van het onvolmaakte tot het volmaakte opklimt — en 3°. om de waardigheid van het vleeschgeworden Woord" 2). Deze aarde heeft eeuwen van ontwikkeling en voorbereiding doorloopen, om een waardige woonplaats te worden van den mensch, haar koning. Eveneens moest de zedelijke wereld op de komst van den Godmensch worden voorbereid. Gelijk de gouden zon eerst door de vale morgenschemering, daarna door den purperen dageraad wordt aangekondigd, zoo moest de Zon der Gerechtigheid eerst schemeren in het tijdvak der Aartsvaders, dan dagen in het tijdvak der Profeten, om in vollen glans te stralen in de volheid der tijden. En gelijk herauten

') Zie Hettinger, Apologie, II8 S. 384; Kirchenlexicon, VIII2 S. 1405. 2) 3, q. 1. a. 5.

Sluiten