Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebaard had". I, 25. Het woord totdat beteekent niet, dat het ontkende later gebeurd is. Zoo lezen wij in het verhaal van den zondvloed, dat de raaf, die door Noë uit de ark werd gelaten, niet terugkwam, totdat de aarde droog was J). Hieruit volgt geenszins, dat zij terugkeerde. Een eerstgeborene is, volgens het hebreeuwsch spraakgebruik, hij, vóór wien geen andere geboren werd, om het even, of er na hem nog andere kinderen geboren worden. Zoo wordt Machir, de eenige zoon van Manasses, zijn eerstgeborene genoemd (Num. XXVI, 29, Jos. XVII, I). Dit blijkt ook uit de wet over de vrijkooping der eerstgeborenen. Dezen toch moesten reeds één maand na de geboorte worden vrijgekocht, en derhalve voordat er een tweede geboren was (Num. XVIII, 16). Zelfs de Zoon Gods wordt naar zijn goddelijke natuur zoowel de Eerstgeborene als de Eeniggeborene genoemd (Hebr. I, 6) 2).

De broeders van Christus, van wie in de H. Schrift meermalen sprake is (b.v. Mt. XII, 46), zijn geen eigenlijke broeders, maar verdere bloedverwanten van Christus. Het was namelijk bij de Hebreërs gebruikelijk, neven en nichten den naam van broeder en zuster te geven. Zoo noemt Abraham zijn neef Loth broeder 3). Jacob noemt zich den broeder van Laban, die toch zijn oom was 4). Uit hetgeen vroeger over de eeuwige maagdelijkheid van Maria gezegd is, volgt duidelijk, dat ook de broeders van Christus slechts zijn neven zijn. Maar ook uit de H. Schrift zelve blijkt, dat de zoogenaamde broeders van Christus geen kinderen zijn van Maria.

Vier mannen worden in de H. Schrift broeders des Heeren genoemd: Jacobus (de mindere), Jozef, Judas (Thaddeüs), en Simon (Mt. XIII, 55). Jacobus en Jozef waren de zonen van Maria, de vrouw van Cleophas, die naast de Moeder van Jezus onder het kruis stond (Mt. XXVII, 56, Jo. XIX, 25). Judas was de broeder van Jacobus (Lc. VI 16) — en ook de vierde, n.1. Simon was, volgens het getuigenis van Hegesippus, die in de tweede eeuw leefde, een zoon van Cleophas 5).

Gen. VII, 7, zie II Reg. VI, 25. 2) Zie Liagre in Mt. I, 25. 3) Gen. XIII, 8. 4) Gen. XII, 5. 5) Bij Eusebius, Hist. Eccl. lib. IV, cap. XXII; Ned. Kath. St. IV, bl. 82, 132. Deze Cleophas, of Alpheus, was een broeder van den H. Jozef, den bruidegom van Maria.

Sluiten