Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

milddadigheid jegens zijn Huis en Altaar; door hulpbetoon aan godsdienstige stichtingen en vereenigingen; door aalmoezen aan de armen. Wij moeten aan Jezus offeren de mirre der versterving. Wij moeten onze uitwendige zintuigen, maar vooral onze verbeelding en onze hartstochten versterven.

996. Wanneer ontving' het goddelijk Kind den zoeten Naam Jezus?

Het goddelijk Kind ontving den zoeten Naam Jezus acht dagen na zijne geboorte, bij zijne besnijdenis.

Feestdag: 's Heeren Besnijdenis, 1 Januari1).

De besnijdenis was het teeken des Verbonds, door God met Abraham gesloten (Gen. XVII, 11). Alwie dit teeken ontving, werd op kennelijke wijze in de maatschappij van het uitverkoren volk Gods opgenomen, en verplichtte zich tegelijk, om de voorschriften van het Verbond te vervullen. Elk mannelijk kind bij de Joden moest acht dagen na zijn geboorte besneden worden. De besnijdenis was voor de Joden ook een bewijs hunner dienstbaarheid aan God, en een opwekking tot beteugeling der booze hartstochten (/er. IV, 4). Eindelijk lag in die joodsche plechtigheid een voorafbeelding van het H. Doopsel (Col. II, 11, 12). Christus wilde als een Israëlietisch kind onder de Mozaïsche wet geboren worden (Gal. IV, 5), en daarom wilde Hij ook het teeken des Ouden Verbonds in zijn lichaam ontvangen, en naar zijn menschelijke natuur in den vollen zin een zoon van Abraham zijn. Door de menschwording had Hij de zonden der wereld op zich genomen en daarom wilde Hij, reeds in de eerste dagen na de geboorte, zijn bloed tot boeting der zonden vergieten. Hij wilde bovendien toen reeds een voorbeeld geven van volmaakte gehoorzaamheid.

Bij die plechtigheid, welke verricht werd door den H. Jozef in de grot van Bethlehem of in het huis, waarin wellicht het H. Huisgezin zijn intrek genomen had, ontving het Kind den Naam van Jezus, gelijk de engel aan Maria, voordat zij Moeder Gods werd, en daarna aan den H. Jozef bevolen had. Over de beteekenis van dien Naam werd reeds vroeger gesproken. (Zie Vr. 89b).

') Brouwer, Het Kerkelijk Jaar, bl. 68.

Sluiten