Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Christus te loochenen, deden het niet, maar zij hebben getracht de bewijskracht te ontzenuwen door deze werken aan de tusschenkomst des duivels toe te schrijven. Latere Joden kwamen met de bespottelijke bewering voor den dag, dat Jezus heimelijk het Heilige der heiligen van Jeruzalems tempel was binnengeslopen, daar de juiste uitspraak van den godsnaam Jhvh. gevonden had en door die uitspraak zijn

wonderen deed :).

In het jaar 126 bood de Atheensche wijsgeer Quadratus den keizer Hadrianus een verdedigingsschrift aan, waarin hij van de zieken, die door Christus werden genezen, en de dooden, die door Hem werden opgewekt, schrijft: „En men heeft hen niet alleen gezien, toen zij genezen of opgewekt werden, maar ook later nog. Zij leefden niet slechts zoolang onze Zaligmaker op aarde verbleef, maar ook nog lang na zijn hemelvaart, zoodat zij zelfs onzen tijd bereikt hebben 2).

Zijn de werken, die wij de wonderen van Christus noemen geschiedfeiten, dan kunnen zij onmogelijk zuiver-symbolische voorstellingen van de een of andere waarheid zijn, gelijk, in navolging der Tubinger school, de Modernisten beweren (Deel I, bl. 84). Wij zeggen: „zuiver-symbolische voorstellingen , want de wonderen van Christus zijn tegelijk èn werkelijke gebeurtenissen èn symbolische of zinnebeeldige voorstellingen 3). De wonderen in het algemeen beschouwd, zijn een zinnebeeldige verklaring van Christus' zending. Zij waren groote weldaden, zij genazen de zieken, wekten dooden ten leven, wierpen duivelen uit enz., en zoo zijn zij een zinnebeeld van het verlossingswerk. Beschouwt men de wonderen elk afzonderlijk, dan kunnen vele gelden als een zinnebeeldige voorstelling van de een of andere waarheid. Zoo is de zuivering der melaatschen een zinnebeeld van de vergeving der zonden, de vermenigvuldiging der brooden een zinnebeeld der H. Eucharistie enz.

2°. De werkelijke feiten, die wij de wonderwerken van Christus noemen, hebben inderdaad een wonderdadig karakter.

1) Justinus (Apol. I, 35) en Tertulliaan (Apolog. 21) beroepen zich op

de Acta Pilati, maar de Acta Pilati, die heden nog bestaan en omstreeks het jaar 311 bekend werden, zijn onecht. 2) Euseb. Hist. Eccl. lib. IV,

cap. 4. 3) Zie Grejr. M. Hom. 2 in Evang. N. 1.

Sluiten