Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lam, ongedeesemd brood, bittere kruiden, en een bijvoegsel van breiachtige saus (charozet), waarin met de hand het brood en de kruiden gedoopt werden. De Joden moesten het paaschlam slachtofferen en eten ter dankbare herinnering aan den nacht in Egypte, toen de eerstgeborenen der Egyptenaren door den engel des verderfs gedood werden, terwijl de eerstgeborenen der Israëlieten, om het bloed van het paaschlam, gespaard bleven. Dit paaschlam was een treffende voorafbeelding van Christus, het lam Gods, door wiens bloed wij uit de slavernij van den satan verlost zijn en gevrijwaard tegen de doodende slagen van den engel des verderfs.

Jezus had geheel zijn leven er vurig naar verlangd, dit laatste avondmaal met zijn leerlingen te vieren, en nu op dat plechtig oogenblik is het Hem een behoefte, dat zielsverlangen aan zijn Apostelen te openbaren: „Met (vurig) verlangen heb ik verlangd dit Pascha met u te eten, voordat ik lijde". Lc. XXII, 15. In dezen laatsten nacht toch, den bangen lijdensnacht, zou Hij door de instelling van het H. Sacrament des Altaars, het onbloedig offer van het Nieuw Verbond, den goddelijken liefdedisch, den zijnen toonen, hoe vurig Hij hen beminde.

Nadat het paaschlam genuttigd was, stond Jezus van tafel op, legde zijn bovenkleed af, omgordde zich met een linnen doek, goot water in een bekken, en begon, naar oostersch gebruik, als een dienstknecht, de voeten zijner Apostelen te wasschen. Ook den verrader wiesch Hij de voeten. De booswicht bleef verstokt, ook toen zijn Meester als een slaaf aan zijn voeten lag. Ook voor het woord van Jezus: „Gij zijt rein, maar niet allen"! Jo. XIII, 10, bleef zijn duivelhart gesloten. Met een aanhaling uit Ps. XL, 10 zinspeelt Jezus op het verraad door een dischgenoot (Jo. XIII, 18), en spreekt het openlijk uit: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: een van u zal Mij overleveren"! Jo. XIII, 21.

De Apostelen zijn verslagen en vragen: „Ben ik het Heer"? Het antwoord luidt: „Die met Mij de hand in den schotel doopt, die zal Mij overleveren". Mt. XXVI, 22, 23. Aan tafel zit de verrader! Vreeselijk klinkt een laatste strafbedreiging als waarschuwing: „Wee den mensch, door wien de Zoon des

Sluiten