Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jezus den eed op, die volgens de Wet tot antwoorden verplichtte (Lev. V, 1): „Ik bezweer u bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus zijt, de Zoon Gods"! Mt. XXVI, 63. Caïphas verwacht een bevestigend antwoord, want hij weet, dat Jezus deze waarheid verkondigd heeft. Maar hoe ook het antwoord luide, de veroordeeling is beslist. Antwoordt Jezus ontkennend, dan wordt Hij als volksverleider, antwoordt Hij bevestigend, dan wordt Hij als godslasteraar ter dood veroordeeld. En zwijgen kan Hij niet! Hij was immers in de wereld gekomen, om getuigenis aan de waarheid te geven. (Jo. XVIII, 37.) En het geldt hier de groote waarheid, die de wereld in twee vijandelijke kampen verdeelt, de waarheid, die de grondslag van den christelijken godsdienst is, de waarheid zijner Godheid. Plechtstatig en bij den levenden God getuigt Christus in het aangezicht van den dood: „Gij hebt het gezegd! Ik ben het" ! Om den laatsten schijn van twijfel omtrent den waren zin zijner woorden weg te nemen, voegt Hij er de schrikwekkende bedreiging aan toe: „Maar Ik zeg u (d. i. Ik bezweer u bij den levenden God): van nu aan zult gij den Zoon des menschen zien, gezeten ter rechterzijde van de kracht Gods, en komende op de wolken des hemels". Mt. XXVI, 64. Hij is de Zoon Gods, niet door aanneming, maar door zijn eeuwige geboorte uit den Vader. Jezus kqn het niet duidelijker zeggen, en de joodsche rechtbank kon zich omtrent den zin van Jezus' woorden niet bedriegen. Nauwelijks dan ook was het woord over Jezus' lippen, of Caïphas scheurt ten teeken van rouw (naar joodsch gebruik) zijn kleederen, en roept: „Hij heeft (God) gelasterd"! Hij wendt zich tot de raadsheeren: „Wat hebben wij nog getuigen van noode? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord" ! En nu vraagt hij verder naar de straf: „Wat dunkt u"? Eenstemmig klinkt het vonnis: „Hij is des doods schuldig"! Mt. XXVI, 65, 66. Wat doet Jezus? Hij was gekomen, niet alleen om aan de waarheid getuigenis te geven, maar ook om voor de waarheid te sterven. Hij zal de eerste martelaar zijn. Maar ook als straf der zonden, die Hij als borg op zich genomen had, aanvaardt Hij het onrechtvaardig doodvonnis dier goddelooze rechters.

Sluiten