Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet! Toen Pilatus hoorde, dat een boosdoener was voorgebracht, ging hij, ter gemoetkoming aan de joodsche gemoedsbezwaren, naar buiten, en vroeg: „Welke beschuldiging brengt gij in tegen dezen mensch"? De Joden echter willen geen rechterlijk onderzoek, maar een vonnis, dat hun moordplan bekrachtigt en uitvoert. En, als waren zij in hun eer gekrenkt, roepen zij den landvoogd toe: „Indien deze geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd" ! Maar Pilatus voelt zich rechter, niet beulsknecht. Daarom is zijn bits en sarrend antwoord: „Neemt gij hem en oordeelt hem naar uw wet"! Pilatus denkt er nog niet aan, dat het om een doodvonnis te doen is. De Joden antwoorden: „Ons is het niet geoorloofd, iemand ter dood te brengen". Jo. XVIII, 29—32, Nu Pilatus begreep, dat men een doodvonnis eischte, vroeg hij een bepaalde beschuldiging. Op staanden voet beschuldigen de sanhedristen Jezus van opruiing des volks, verzet tegen de romeinsche belastingen en hoogverraad tegen den keizer. (Lc. XXIII, 2). Pilatus acht de twee eerste beschuldigingen geen onderzoek waard, maar schonk zijn aandacht aan de laatste. Hij gaat het rechthuis in en laat Jezus binnenbrengen en vraagt: „Zijt Gij de koning der Joden"? Jezus verklaart nu aan Pilatus den aard van zijn koningschap: „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zouden mijn dienaren wel strijden, opdat Ik niet overgeleverd werd aan de Joden; maar nu, mijn koninkrijk is niet van hier". De landvoogd wil een nadere verklaring en vraagt: „Gij zijt dus een koning"? Jezus zegt: „Ik ben een koning. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis te geven aan de waarheid. Al wie uit de waarheid is, hoort naar mijn stem". De wereldsche en twijfelzieke Romein bekommert zich om geen waarheid, en halfspottend zegt hij: „Wat is waarheid" ? Maar als rechter is hij overtuigd, dat Jezus geen staatsgevaarlijke is. Hij zegt het dan ook ronduit tot de Joden: „Ik vind in Hem geen schuld". Jo. XVIII, 28—38.

Die vrijspraak wordt door priesters, ouderlingen en volk met helsch geschreeuw begroet en een stroom van beleedigingen

Sluiten