Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der bewering, dat alleen de ziel van Christus in een lichtvormig omhulsel zou verschenen zijn.

Zij waren geen misleiders.

Waren de Apostelen geen slachtoffers van zinsbegoocheling, zij hebben evenmin de eerste Christenen bedrogen: zij wilden, zij konden zelfs niet bedriegen.

Zij wilden niet. Zij hadden er immers geen voordeel bij. Integendeel, de prediking der verrijzenis bereidde hun een leven van opoffering en ontbering en bloedige vervolging; bedrog maakte hen schuldig aan eeuwige straffen. Alle dertien stierven, om de waarheid van hun getuigenis te bevestigen, den marteldood ]). En moge de geschiedenis kunnen wijzen op eenige dwepers, die ook in het aanschijn des doods hardnekkig aan hun beginselen vasthouden, niemand — en zeker geen dertien te zamen — zullen een leven vol ontberingen, opofferingen en lijden willen doorworstelen en met blijmoedigheid den marteldood trotseeren ter wille van een fabeltje, dat door hen verzonnen werd.

En, van waar die plotselinge ommekeer in de Apostelen? Vreesachtig, ontmoedigd, verslagen door den dood van hun Meester, treden zij kort nadien als onversaagde helden op te midden van machtige vijanden, prediken zij, ondanks alle bedreigingen en folteringen, ondanks de dreigende doodsgevaren, de verrijzenis van Jezus. Die plotselinge ommekeer kan niet het gevolg zijn van een uitgedachte leugen, maar alleen van een buitengewone gebeurtenis, die hen van de verrijzenis overtuigde 2).

Eindelijk, is Christus niet werkelijk verrezen, dan was Hij geen God, maar enkel mensch, een slecht mensch, een bedrieger. Maar hoe was het dan mogelijk, dat de Apostelen voor den gekruisten Galileër, die hen zoo schandelijk bedrogen had, goed en bloed zouden geofferd hebben? Alleen de blijde en zekere verwachting van eeuwige goederen, waarvan in de werkelijke verrijzenis voor hen de voorspelling

') Al werd de H. Joannes door een wonder tegen den dood gevrijwaard, toch heeft hij in den kokenden olie de foltering-en van den marteldood doorstaan. 2) Strauss bij Mangenot, p. 234.

Sluiten