Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Zij doopten de nieuw-bekeerlingen bij duizenden (Act. II, 38—41; VIII, 12, 13). Zij dienden het H. Vormsel toe (Act. VIII, 17). Zij wijdden priesters en bisschoppen. „Daarom vermaan ik u, om de genade Gods, die in u is door de oplegging mijner handen, op te wekken". II Tim. 1, 6. Zij droegen het H. Misoffer op. „Is niet de kelk der zegening, dien wij zegenen, een gemeenschap met het bloed van Christus? en het brood, dat wij breken, is het niet een gemeenschap met het lichaam des Heeren"? I Cor. X, 16.

c. Zij hebben de wetgevende macht uitgeoefend. In de kerkvergadering van Jeruzalem verordenden zij, dat de Christenen uit het heidendom geen vleesch zouden eten, dat aan de afgoden geofferd was. (Act. XV, 29). Paulus zegt uitdrukkelijk, dat hij die macht bezit: „Ik prijs u, broeders, dat

gij mijn bevelen onderhoudt". I Cor. XI, 2. En nadat hij

de Corinthiërs herinnerd heeft aan de goddelijke geboden aangaande de H. Communie, spreekt hij van voorschriften, die hij zelf er aan zal toevoegen: „Het overige nu zal ik regelen, als ik zal gekomen zijn". I Cor. XI, 34. Zij vonnisten en straften ook de wetsovertreders. Paulus bedreigt, krachtens de volmacht, hem door Christus gegeven, de ongehoorzamen met straffen (II Cor. X, 6—8); hij strafte den ontuchtigen Corinthiër en de geloofsverzakers Hymeneüs en Alexander met den kerkelijken ban (I Cor. V, 3 v.v.; I Tim. I, 20).

Het staat derhalve vast, dat Christus, de eeuwige Profeet, Hoogepriester en Koning zijn drievoudig ambt aan de Apostelen heeft medegedeeld. Hij gaf dat ambt onmiddellijk aan zijn Apostelen, met uitsluiting van alle anderen. De woorden immers, waarmede Christus het drievoudig ambt overdroeg, werden niet gericht tot de gemeenschap der geloovigen, maar onmiddellijk en alleen tot de Apostelen. Door Christus zeiven werden derhalve de Apostelen onmiddellijk uitverkoren en aangesteld, niet door het volk of de gemeente werden zij beroepen (Jo. XV, 16). Integendeel Joden en heidenen werden door hun apostolischen arbeid de levende bouwsteenen, waarmede op de grondsteenen der Apostelen de Kerk, het Huis Gods werd opgetrokken. De Apostelen waren geen gemachtigden der geloovigen, maar hun geestelijke vaders en herders;

Sluiten